dhr. Alain Verheij (Alphen a/d Rijn): “Heilige zwervers”, n.a.v. Genesis 12: 1-4

*  Alle-Dag-Kerk Amsterdam, Middagpauzedienst 12 juni 2019  *

dhr Alain Verheij (Alphen a/d Rijn)

Heilige zwervers” n.a.v. Genesis 12: 1-4

De jongen die vanmiddag voor u staat is dertig jaar jong en theoloog anno 2019. Toen ik voor deze studie koos, zei iedereen: “Nou, ik wens je succes.” En dan net op zo’n toontje waarvan ik dacht: “Jij gelooft hier niet zo in. Niet in de kerk, die toch al decennia leegloopt. Niet in het geloof, of in welk geloof dan ook in een welvarend seculariserend land.”

Niet dat het christendom het zo lang houdt dat dit jonge ventje hier het lang genoeg kan volhouden om zijn pensioen te halen in dit vakgebied. Het is niet ‘logisch’ om te geloven. Niet in een wereld waarin Google de allesweter is, slimmer dan God.
Niet in een wereld waarin voor elke minuut stilte een betere minuut entertainment te krijgen is.
Niet in een wereld waarin het nieuws ons dagelijks laat zien dat het bestaan van een goede God misschien niet zo ‘logisch’ is, want er gebeurt zoveel lelijks.

In de laatste jaren ben ik daarom steeds gaan zoeken wat dat nou betekent. Wat betekent het om te geloven?
In Nederland zegt nagenoeg de helft van de mensen: ik geloof niet in God. In Amsterdam ligt dat percentage denk ik iets hoger.
Dus als je er wel iets mee wilt, met God en geloof, dan moet je weten wat je doet. Weten waarover je het hebt.
En in mijn zoektocht daarnaar kwam ik steeds weer terecht bij Abraham. De vader van alle gelovigen, zegt de Bijbel.
En dat is hij ook – uit hem kwamen de joden voort, de christenen, de moslims.
Als iemand ons kan leren wat geloven is, is het Abraham. Maar hoe zie je je Abraham nou voor je? Ik weet het in mijn hoofd precies. Het is een oud olijk mannetje met een baard die eruitziet als een wit wolkje. Hij glimlacht vriendelijk, een echte familieman is hij in mijn hoofd. Hij loopt met een wandelstok. Waarschijnlijk heb ik dit beeld uit een kinderbijbel.
Als ik dat voor me zie, denk ik: “Je bent sympathiek, maar jij gaat de wereld niet redden. Je hebt je beste dagen gehad, vriend Abraham. De moderne tijd gaat te snel voor jou. Die is niet meer vriendelijk of geduldig, die wil iets spannends, iets rebels, iets pijnlijk eerlijks, geen lieve opa met een wandelstok. Sorry, Abraham.”

Toen ik daar verder over nadacht en vader Abraham nog niet wilde opgeven, het blijft toch de vader van alle gelovigen, besloot ik eens te googelen of die man, hij wordt in de Bijbel op zijn vijfenzeventigste geïntroduceerd, of die man ook een jeugd heeft gehad. En ja hoor. Een oud joods verhaal dat ook in de koran is beland, vertelt over de puberteit van Abram.

Dertien jaar is hij ongeveer, en zijn vader fabriceert goden. Terach, heet die vader, en hij runt een winkel met godenbeelden. Abram is niet zo’n vrome tiener. Wie wel? Maar Abram ziet waar de goden vandaan komen: uit het atelier van vader Terach. En hij denkt: “Ik geloof er geen klap van.”

Op een dag is het zover dat Abram een middagje op de winkel mag passen. Terach gaat naar de stad om steen en hout te kopen, voor nieuwe goden. En daar staat Abram tussen de godenbeelden achter de toonbank. Een vrouw komt binnen met een bakje graan. Ze heeft geen geld voor een god, maar van Terach mag ze wel haar offer komen brengen in de winkel. Vroom legt ze haar bakje graan aan de voeten van de godenbeelden, buigt nog even en verlaat dan stil de winkel.

Plots krijgt Abram de geest (?). Of gewoon een puberaanval. Hij pakt een stok, begint te meppen en slaat de hele winkel aan gort. Kort en klein, alle godenbeelden kapot. Niks geen wandelstok voor opa Abram: meer een soort knuppel waarmee hij hard kan uithalen. Hij laat één god intact, en die geeft hij de knuppel in handen. Daarna gaat hij staan wachten, tussen het gruis. Terach komt ’s avonds vermoeid thuis en als hij ziet dat zijn winkel een ravage is, begint hij het hele volk bij elkaar te vloeken.
Kan ik je dan geen middag alleen laten, knul? Wat heb je gedaan? Je ruïneert me!”
Ho, ho, vader,” zegt de jonge en brutale Abram. “Ik ben onschuldig. Dit is wat er is gebeurd. Er kwam hier net een vrouw binnen, die offerde een bakje graan, en toen zijn de goden ruzie gaan maken wie het eerste hapje mocht. Die grootste god hier won. Ik kan er helemaal niks aan doen, ik stond erbij en keek ernaar.”
Onmogelijk,” baste Terach. “Goden kunnen helemaal niet praten.”
Precies!” zei Abram triomfantelijk. “U gelooft zelf ook niet in de goden die u maakt.”

En Abram verliet het geloof van zijn voorouders. Kijk, dit verhaal over de jeugd van Abram moet je er eigenlijk altijd bij vertellen als je het hebt over die vader van alle gelovigen.

In een tijd waarin de helft van je land helemaal niets kan met god of geloof, kun je misschien wel de hand reiken aan elkaar en zeggen: “Voordat Abram de vader van alle gelovigen werd, de vader van alle joden, christenen, moslims, noem maar op, voordat hij de vader van alle gelovigen was, was hij eerst de broeder van alle ongelovigen. Als tiener met een knuppel in zijn hand die alle goden tot moes sloeg.”

Zeker, geloven is leuk, maar het betekent niet dat je niet rebels mag zijn. Er zijn nou eenmaal veel godsbeelden alleen maar gemaakt om anderen te overheersen, om zelf rijk te worden, of gewoon omdat het nou eenmaal een dooie traditie is die je niet loslaat.

Geloven betekent niet dat je dat niet aan de tand mag voelen, of soms zelfs met een knuppel door de religieuze winkel mag rausjen. Geloven is in essentie juist iets spannends, iets eigenwijs.
Een zoektocht naar het onbekende, in het brutale besef dat de gestolde clichés hun langste tijd gehad hebben.

Als grijsaard heeft Abram later een stem gehoord. Geen grijnzend beeld van hout en steen meer, maar een stem. Een stem met absurde beloften. Rijk zou hij worden, en heerser van vele landen, en vader van vele kinderen. Maar eerst moest hij alles wat hij kende achterlaten.
De woonplaats van zijn voorvaderen, zijn land, zijn familie, om aan een zoektocht naar het onbekende te beginnen.
Zwervend de belofte achterna, en Abraham ging. Zo werd hij ook de vader van alle gelovigen.

Amsterdammers van vandaag, volg Abraham en geloof vrolijk. Geloof rebels, geloof spannend, geloof zoekend en tastend, geloof met een trouwe wandelstok die soms een knuppel zal zijn om vals glimlachende voorstellingen mee stuk te slaan, of een naald om gebakken lucht mee door te prikken.
Misschien, hopelijk hoor je op een dag een stem die dingen zegt die te groot, te mooi, te hoopvol zijn om waar te zijn en dus te goed om níet te geloven – laat dan alles achter en ga achter die woorden aan.