dr. André F. Troost: Lucas 2: 38 – Ze bracht hulde aan God

*  Alle-Dag-Kerk, 31 december 2014  *

Voorganger: dr. André F. Troost

Ze bracht hulde aan God n.a.v. Lucas 2: 38

Vandaag zijn we op het spreekuur van dokter Lucas. Lucas was schrijver, maar ook arts.
Hij legt een dossier over Jezus aan, de Arts aller zielen. En ook een dossier over Jezus’ patiënten.

‘Volgende patiënt!’
Een onbekende oude vrouw.
‘Sjaloom, zuster, gaat u zitten. Zullen we eerst de administratieve en sociale anamnese maar even doen?’
‘Pardon, dokter?’
‘Ach, neem me niet kwalijk: anamnese, dat is mijn eigen taal, het Grieks, en betekent: de herinnering. Ik bedoel: uw personalia, hoe u heet en zo. Hoe heet u?’
‘Anna. Channa. Een mooie naam, vindt u niet? Begenadigde! Zo heette de kinderloze lievelingsvrouw van Elkana: Hanna.’
‘En van wie bent u er één?’
‘Van Fanuël, dokter. Ook een mooie naam: ik heb God gezien! Die naam doet denken aan Jakob, die worstelde met God. Pniël noemde hij de plek waar hij vocht, bij de Jabbok.’
‘Zo, en uit welke stam ben je, Anna?’ ‘Uit de stam Aser, dokter. Asjer, ook een mooie naam. Geluk! Zo noemde Lea het kind dat haar slavin kreeg, een nieuwe zoon voor haar man Jacob.’
‘Je zit goed in de mooie namen, Anna: Begenadigde, jij hebt God gezien, jij hebt geluk gehad! Jij bent zeker ook wel gelukkig getrouwd, Anna, met een stel fijne kinderen?’
‘Nee, dokter, ik ben weduwe. Ik ben maar zeven jaar getrouwd geweest. We hadden het heel goed, mijn man en ik. We konden ons geluk niet op. Ik dacht dat ik God in het gezicht zag, zo begenadigd voelde ik me. Maar toen, op een dag – het is allemaal heel plotseling gegaan, dokter. En toen stond ik er alleen voor. Eigenlijk is het altijd moeilijk geweest, in het begin vooral, maar later ook nog wel. Je telt eigenlijk niet meer mee, zal ik maar zeggen. Je kunt ook niets meer samen delen, je komt alleen thuis en tegen de muren kun je wel praten, maar die zeggen niets terug.’
‘Maar hoe heb je dat dan zolang uitgehouden, Anna?’

‘Ach, dokter, ik ben elke dag naar de tempel gegaan. En meestal ‘s avonds ook nog. Dag en nacht was ik daar.’
‘Maar waarom dan, Anna?’ ‘Om te profeteren, dokter. Soms viel de Geest van God zomaar op me, dan sprak ik tot de mensen, dan bracht ik hen de woorden van de profeten in herinnering (over anamnese gesproken, dokter!), dan sprak ik hen moed in, want de tijden waren moeilijk, zoals uzelf wel weet. Romeinen in het land, corrupte priesters hier in de tempel, je wilt niet weten wat ze achter de schermen uitspoken, en dan steeds zo’n tollenaar aan je deur, zo’n ambtenaar van de fiscus – ze weten alleenstaanden wel te vinden! Maar gelukkig waren er altijd die met mij de bevrijding van Jeruzalem verwachtten!’
‘Heb je dan wel altijd genoeg te eten, Anna?’
‘Ach, nee, niet altijd. Maar dat geeft niks, want dan vast ik gewoon. Met een lege maag kun je veel beter bidden dan met een volle maag – maar dat hoef ik u als dokter niet te vertellen!’
‘Maar hoe komt het dan dat je ondanks alles wat je meemaakte en ondanks je hoge leeftijd er zo stralend uitziet?’
‘Dat komt door het kind, dokter! Ik heb het kind gezien!’
‘Het kind? Jij, nu nog, een kind?’
‘Ja, dokter, Simeon was er ook en hij hield het in zijn armen. En ik kwam er bij staan en ik zag: dit is de beloofde, die Simeon zou zien voordat hij zou sterven. De Messias, dokter! Eindelijk gekomen. Ik heb God geloofd, ik heb Hem beleden, met Simeon en Jozef en Maria mee God geprezen.’
‘Misschien een beetje emotioneel, Hanna, maar: wat ging er toen door je heen, Anna?’
‘Dokter, ik dacht aan het woord van de Eeuwige bij monde van de profeet Jesaja: “Je zult je de smaad van je weduwschap niet meer herinneren. Want je maker neemt je tot vrouw.” Geen enkele anamnese, geen enkele herinnering meer aan alle oude ellende!
Weet u, dokter, er is niets veranderd, hier niet en nergens ter wereld niet, maar het is toch alsof ik nu echt Begenadigd ben. Ik heb in de ogen van dit kind God zelf gezien! En wat de toekomst brengen moge, mijn Nieuwjaar zal zeker gelukkig zijn. Welgelukzalig. Asjer!’

De anamnese van dokter Lucas is rond. Hij heeft nog maar één vraag: wat zijn de klachten? ‘Zo, Anna, rest mij nog één vraag. Maar voordat ik je die vraag stel, wil ik graag nog één ding zeggen, één woord maar. En dat ene woord is een welgemeend en veelzeggend: Amen!