dr. Wouter Klouwen, Baarn: ‘Wie weg is, is gezien, n.a.v. Psalm 139

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 8 november 2017  *

Voorganger: dr. Wouter Klouwen

Wie weg is, is gezienn.a.v. Psalm 139

Schriftlezing: Psalm 139: 1-3, 5, 7-10

HERE, Gij doorgrondt en kent mij;
2 Gij kent mijn zitten en mijn opstaan,
Gij verstaat van verre mijn gedachten;
3 Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd.

5 Gij omgeeft mij van achteren en van voren
en Gij legt uw hand op mij.

7 Waarheen zou ik gaan voor uw Geest,
waarheen vlieden voor uw aangezicht?
8 Steeg ik ten hemel – Gij zijt daar
of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde – Gij zijt er;
9 nam ik vleugelen van de dageraad,
ging ik wonen aan het uiterste der zee,
10 ook daar zou uw hand mij geleiden,
uw rechterhand mij vastgrijpen.

Overdenking

Het thema vanmiddag is dus: “Wie weg is, is gezien”. En dat rijmt natuurlijk op dat spelletje dat we vroeger als kind speelden: verstoppertje. En dan was degene die moest zoeken, die stond bij een boom of muur, de ogen bedekt, telde tot tien: “…acht, negen, tien! en wie niet weg is, is gezien!” En als je je niet goed verstopt had, dan was je er zomaar bij.

Ik moest daar aan denken (misschien een beetje een gekke associatie) toen ik over deze bekende Psalm 139 nadacht. U denkt misschien: “Wat heeft dat nou met elkaar te maken?” Maar in de Psalm gaat het er óók over. Over je verstoppen. Hoor maar: Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden, vluchten, voor uw aangezicht? Waar zou ik me verstoppen voor U? Of: ging ik wonen aan het uiterste van de zee, ver weg, ook dáár zou uw Hand mij geleiden. En zelfs als de duisternis mij overvalt, dan nóg. Kan ik mij verstoppen voor U? Je verstoppen voor God, dat kán kennelijk niet. Wie weg is, wordt gezíen! Het is dus net anders dan bij ons verstoppertje. Daar is het: wie niet weg is, is gezien. Maar bij de Here God is het: wie wég is, is gezien.

Daar gaat dus de Psalm ook over. Dat wij ons verstoppen, voor God. Als we onze eigen gang gaan. Niet aan Hem denken. Als we ver bij Hem vandaan zijn. Of als we zelf aan de rand van het leven ons bevinden, of zelfs – de Psalm heeft het daar ook over – als we dood zijn, in het graf. Maar dat wil nu nog niet zeggen dat wij zónder Hem zijn. Dat Hij dat maar laat gebeuren. Nee, want wie weg is, wordt door Hem gezíen. Hij trekt Zijn hand van ons toch niet af. Hij is en Hij blijft onze trouwe Heer. Hij ziet ons en kent ons, Hij doorgrondt en verstaat ons. Met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd.

Nou weet ik niet of u dat ook wel eens denkt, maar ik hoor van mensen wel eens dat ze dat ook wel een beetje benauwd vinden, een God die alles maar ziet, alles maar in de gaten houdt. Of zoals iemand mij eens vertelde: “Moeder zei: niet uit de koektrommel jatten, want ik zie het dan misschien niet, maar God ziet alles…!” Maar dáár gaat het hier niet over. Dáár gaat het hier natuurlijk helemáál niet over! God is geen politieagent. Niet een voyeur. Hij heeft geen boos oog. Dan maken we er een karikatuur van. Maar de Verbondsgod is een God die niet wil dat wij verloren gaan. Die ons opzoekt. En daarin tot het uiterste gaat. Zo kennen we Hem toch, door Jezus Christus. Jezus die het verloren schaap opzoekt. Jezus die bij de tollenaar Zacheüs in huis wil zijn, die zich verstopt in een boom. Jezus, die de zondaren opzoekt. Die de doden opzoekt. Dáár gaat het over. Het is het evangelie: wie weg is, wordt gezien, gezocht.

Dat is het troostrijke van deze zo dierbare Psalm. Wij kunnen om God inderdaad niet heen. Heilzaam. Wij komen van Hem niet af. Hoe het ook is en waar we ook zijn: Hij ziet ons. Want wie weg is, is gezien!

Nou nog één ding, maar nou staat er: Al ging ik wonen aan het uiterste der zee. Dat is in de bijbel niet: een mooi huis bij Kijkduin. Uitzicht op zee. Maar u weet, de zee in de bijbel is de dood. Is de oerchaos. Waar het leven bedreigd wordt. Uitzichtloos. Dat is de zee. En wie dat weet, hoort in die zin toch inderdaad het evangelie, van Gods trouw en genade: al ging ik wonen aan het uiterste van de zee, ver weg, bedreigd en uitzichtloos, aan de dood prijsgegeven, ook dáár zou uw hand mij geleiden, uw rechterhand mij vastgrijpen. Al vluchtte ik voor God weg, als Jona, en wilde ik van Hem niets meer weten, uw rechterhand zou mij vastgrijpen. Want wie weg is, blijft gezocht.

Vanwege Christus, die weg is geweest, om ons (en Christus is meer dan Jona). Hijzelf is weggeweest, drie dagen lang. Maar ten derden dage opgestaan. De Here God wil dat wij erbij zijn. Niet weg, maar erbij. Niet dood, maar in Zijn leven. Niet zonder Hem, maar met Hem. Daarom is Hij zelfs dood en graf ingegaan, omdat Hij niet verlaat wie toeven in het graf (Willem Barnard). Dat wij ons dan niet verstoppen, maar Hem zoeken die ons zoekt, de Bron van alle goed.

Lieve mensen, daaraan mogen wij vasthouden. Aan dit woord. Deze genade. We zijn niet zonder Hem. Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij legt uw hand op mij. Ja, in Jezus Christus onze Heer zijn we gezocht, en gevonden.

Wie weg is, is gezien!

Amen.