dr. Wouter Klouwen (Baarn): ‘Juichend uit de biechtstoel’, n.a.v. Psalm 32

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 6 maart 2019  *

Voorganger: dr. Wouter Klouwen (Baarn)

Thema: ‘Juichend uit de biechtstoel‘, n.a.v. Psalm 32

1. Een onderwijzing van David.
Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven, van wie de zonde bedekt is.
2. Welzalig de mens wie de HERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
3. Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg, onder mijn jammerklachten, de hele dag.
4. Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij, mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte.
5. Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.
Ik zei: “Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HERE.” En Gíj vergaf mijn ongerechtigheid, mijn zonde.
(…)
7. Gij zijt mijn schuilplaats, Gij beschermt mij voor benauwdheid, Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding.
Overdenking

Psalm 32 is één van de zeven zogenaamde boetpsalmen. Zeven verschillende Psalmen, verspreid door het hele Psalmboek heen, waarin boete gedaan wordt voor de zonde. Hoewel …? Wordt er in deze Psalm ook echt boete gedaan? Zeker, David – op wiens naam de Psalm staat – David zegt: ‘Mijn zonde maakte ik U bekend,’ over zijn zonde en ongerechtigheid en overtredingen gaat het, maar nergens, nergens vertelt hij wat zijn zonden dan wel niet waren. Moet je denken aan zijn zonde dat hij Uria in de voorste linie van zijn leger zette, omdat hij Uria’s vrouw, Batseba, begeerde? Wie weet. Hoe het ook zij: de biecht zélf ontbreekt. Dus of ‘boetpsalm’ nu helemaal de goede typering is? Je zou het misschien eerder nog een loflied  kunnen noemen: David die juichend uit de biechtstoel komt; juichend, omdat de zonde hem vergeven is. Juichend dat hij bevrijd is van wat zijn hart zo bezwaarde…

Wat bezwaarde David? We weten het niet. Ik denk ook niet dat dát zo belangrijk is. Dan kun je inderdaad gaan speculeren over mogelijke zonden en misstappen. Nee, waar het om gaat is dat de Here God het weet, die de zonde vergeeft. Waar het om gaat is dat je bij Hém mag komen die alles wat je hart bezwaart, je wil afnemen. Daar begint de Psalm ook mee: Zalig is hij van wie de overtreding vergeven, van wie de zonde bedekt is. Er staat dus niet: Zalig is hij die geen zonde kent. Zalig is hij die vroom is. Of zalig is hij die geen genade en hulp nodig heeft, maar zichzelf wel redt. Dat staat er niet. Nee, zalig is de mens wie de Heer de ongerechtigheid niet toerekent en in wiens geest geen bedrog is. Geen bedrog, want bedrog is het als je denkt dat je op grond van je vroomheid of op grond van je heiligheid, dat je geen zonde hebt, dat je het daarmee redt; dat je alleen bij God mag komen als je voldoet. Nee, niet zalig hij die geen zonde heeft, maar zalig hij wie de zonde vergeven is…

Nu is de lastigheid, de moeilijkheid, ook om het te denken, dat juist in de erkenning van zonde… bevrijding ligt. Want wie zijn zonde belijdt, ontdekt: het wordt me vergeven. Maar wie zijn zonde verzwijgt, daar drukt – zegt David – zijn hand zwaar op. Dat is het lastige, maar ook het diepe van Gods genade. Waar wij menen God niet nodig te hebben, waar wij menen onszelf te kunnen redden, onze eigen weg te gaan – we zouden zeggen: ‘práchtig toch!’, daar heeft David de ervaring: dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij.  Want dat is toch onze eigenlijke zonde: aan God voorbijgaan. Hem niet nodig hebben. Wie zichzelf rechtvaardigt, wie zichzelf wil redden, wie op eigen kracht naar de hemel wil, vindt God tegen zich. En vindt dáárom God tegen zich, omdat God vóór ons is. Omdat Hij het ons wil geven. Dat is de vreemde paradox. Hij is ‘tegen’ ons juist omdat Hij voor ons is. Hij klaagt ons aan, juist om ons vrij te spreken. Want de Here God wil onze Redder zijn, niet dat wij onszelf zouden redden, maar dat Híj ons redt. Híj wil ons eeuwig leven geven, maar niet omdat wij het verdiend hebben, maar geven uit genade. Hij wil onze God zijn, maar niet omdat wij zonder zonde zijn. Dat is toch ook het Evangelie. Ik moet denken aan wat ze verwijtend over Jezus zeggen: Hij ontvangt zondaars en eet met hen!  Daar gaat het hierover. Zalig is de mens, niet die geen zonde heeft, maar van wie de zonde bedekt is en is weggedaan. Die het van de Heer verwacht. Zich uitstrekt naar Hem…
Wie dat verstaat, zoekt de Here God en houdt zichzelf voor Hem niet verborgen. Wie weet dat de Heer barmhartig is en genadig, voelt alle vrijmoedigheid zichzelf voor Hem uit te spreken. Want hij weet wie de Heer is. De Here die in Christus zijn Zoon de zonde der wereld gedragen heeft. Die ons kent. Die weet hoe wij aan onszelf proberen vast te houden en hoe moeilijk we het vinden om onszelf los te laten en in vertrouwen naar Hem te reiken die ons vasthoudt. Maar wie van Hem weet, die zal tot Hem bidden ten tijde dat Gij U laat vinden. En dan mag er nog zoveel op ons afkomen, maar dan staan we vast in Hem. Gij zijt mijn schuilplaats, Gij beschermt mij voor benauwdheid.
Wie dat verstaat, zeg ik. In de Psalm heet hij een heilige, in vers 6. En een heilige, Luther, zegt daarvan: “Wie is heilig? De mens die staat, niet op zijn heiligheid, maar op de rots van Gods gerechtigheid, die Christus is.” Dus precies wat ik eerder zei. Niet de mens is zalig die zonder zonde is, niet de heilige boon, maar de mens wiens zonde vergeven is, die roemt in de Heer. Die het niet van zichzelf verwacht. Maar van Hem. En wie daar op bouwt, wie daar staat, staat vast. En mag wandelen in vrijheid en zich verheugen in de Heer. De zonde is bedekt. Het is goedgemaakt. Hij heeft naar u omgezien en is aan u niet voorbijgegaan. Dat heeft Hij in zijn goedheid aan ons gedaan, uit genade alleen.
Amen.