drs. Kees Bulens (Apeldoorn): ‘Maak jij je veld vruchtbaar?’ n.a.v. Exodus 30: 11-16a en Marcus 12: 38-44

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 5 december 2018  *

drs. Kees Bulens (Apeldoorn)

Maak jij je veld vruchtbaar?‘ n.a.v. Exodus 30: 11-16a en Marcus 12: 38-44

Gemeente van die Ene die ons niet loslaat en met ons meetrekt, dwars door de woestijn van het leven en over de vruchtbare velden van onze handen, het is een wat voorhoofd fronsende tekst in Exodus 30: iedereen van 20 jaar en ouder moet een halve sjèkel per jaar geven om de tempel te onderhouden. Het is weliswaar geen groot bedrag, maar rijk en arm moesten wel hetzelfde bedrag afdragen. Wij zouden zeggen: ‘de rijken hebben meer draagkracht, dus die kunnen wel meer betalen, de armen kun je dan ontzien.’ Dat men daar niet voor koos, had twee redenen: in de eerste plaats was de zorg voor armen in theorie goed geregeld; wee degene die de arme, de wees, de weduwe en vreemdeling aan z’n lot overlaat. Wie de Eeuwige eert, heeft automatisch zorg, daar is geen discussie over mogelijk. In de tweede plaats leidde het gelijkheidsprincipe ertoe, dat niemand méér rechten had om zich ergens op voor te kunnen laten staan. In het heiligdom van de Eeuwige is iedereen gelijk. Bij de Eeuwige is geen onderscheid, zijn er geen rangen en standen, is er geen goed, beter, best, slecht, slechter slechts. In Jezus’ tijd, zo’n 500 jaar later, was de afdracht iets anders geregeld: men gooide naar vermogen geld in de offerkist. Veel voor wie veel heeft, weinig voor wie weinig bezitten, al is het maar de kleinste munteenheid, de quadrans. Het gaat om het gebaar, waarmee je laat zien dat je je verantwoordelijk weet voor de dienst aan de Eeuwige.

Het gedeelte dat we in het Tweede Testament hebben gelezen horen we een kritische toon, die uitmondt in een soort protestsong. Jezus waarschuwt eerst de schriftgeleerden, de kerkelijke leiders. Daarbij gaat het Jezus niet om hun theologische opvattingen, over wie de Eeuwige is, met theologische haarkloverij heeft Jezus niet zoveel. Wat dat betreft denk ik, dat Jezus zich niet druk zou maken over zegenen of inzegenen, zoals een paar weken geleden de synode van de PKN kerken. Dat kan niet de kern van jouw geloof zijn, daar krijg je geen veld vruchtbaar mee. Jezus legt de nadruk op de ruimte die je geeft aan ieders manier van zijn. Bij hem gaat het over hoe je gehoor geeft aan elkaar, of je de bereidheid hebt met elkaar een weg te bewandelen, of je zorg draagt en aandacht schenkt aan wie er verloren bij loopt of in de woorden van het Eerste Testament: hoe je je verantwoordelijk weet voor de schepping en daaraan gelijk: hoe je je verantwoordelijk weet voor de armen, de wees, de weduwe en de vreemdeling. Dát is de ondertoon van de rede tegen de schriftgeleerden. De tempelhotemetoten lopen een beetje te koketteren met hun dure kleding, ze willen eerbiedig begroet worden. Het was de tijd van de dominee, de dokter en de onderwijzer. De tijd van nederig en klein zijn voor wie een betere positie heeft dan jij. En de schriftgeleerden vonden dát ze een betere positie hadden, ‘dus hadden zij recht’ op een ereplaats in de tempel, de synagoge en als er een feestmaal werd aangericht. In onze tijd is dat niet veel anders. Degene met de hoogste salarissen in de top van bedrijven en overheidsinstellingen hebben ‘recht op’ een extra bonus, een duurdere leaseauto, een geavanceerdere telefoon, een hogere onkostenvergoeding en betere koffie dan de gewone werknemer waarmee een bedrijf en instelling zijn grootheid aan te danken heeft. Toen ik afgelopen week hoorde over dat laatste kleingeestige en denigrerende gebruik van betere koffie dan de gewone werknemer, begreep ik de combinatie van de tekst in Marcus 12 en Exodus 30 pas echt. Het is om je dood te schamen; gaat het niet volstrekt in tegen de rode draad in de Bijbel? Daar kun je als hoogste baas je schouders bij ophalen, maar het gaat toch ook in tegen iedere vorm van moreel en karaktervol handelen? Tegen die hypocrisie gaat Jezus tekeer. Je ernst en vrome ijver voorwenden, jezelf belangrijk vinden, veel hebben en ondertussen de huizen verslinden van de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. Met dit gedrag maakt Jezus korte metten: hoezo mooie en lange gebeden opzeggen, groeten in ontvangst nemen, minzaam knikken, indrukwekkend doen en mensen erop wijzen dat ze de Wet des Heren overtreden en je ondertussen laten verzorgen door de weduwen. Dáármee is jouw veld niet vruchtbaar te krijgen. Er zal hard over jullie worden geoordeeld, staat er daarom. Hierna begint de protestsong. Dat Jezus niet kan zwijgen over onrecht heeft te maken met de traditie waarin hij zich voelt staan: de Eeuwige heeft de mens bevrijd uit de slavernij, van het juk van de onderdrukker, de Eeuwige heeft de mens geleid door de zee en de woestijn en heeft ons handen gegeven om Zijn velden vruchtbaar te maken. Dat vruchtbaar maken van de velden, zien we hier Jezus doen. Hij protesteert als hij spreekt over de verhouding van de leiders tot de gewone mens, leiders die de taak hebben om vertrouwenwekkend te zijn, oog te hebben voor wie ten onder dreigt te gaan, maar ondertussen: Bommen op de steden, gifgas in de lucht, dode kinderen in de straten na een uitzichtloze vlucht, maar de leiders van het land? Weten die nu echt van niets? Maar niet heus, maar niet heus…. Als Petrus hen zal vragen hoe is het daar benêe, zullen zij zonder blikken en blozen zeggen: het is er allemaal pais en vree. Dan blijft het oorverdovend stil, maar het engelenkoor zul je horen jubelen: maar niet heus, maar niet heus. Jezus zegt het, als hij spreekt over de weduwe, iets anders dan Boudewijn de Groot, maar de strekking is hetzelfde: de schriftgeleerden zijn ernstig en vroom, maar niet heus, maar niet heus. De rijken geven echt iets van belang, maar niet heus maar niet heus. De weduwe offerde van haar armoede, zij offerde wat zij bezat – zo is het heus, zo is het heus. De weduwe offerde waar ze van moest leven. Offeren van je overvloed is geen kunst, dat is niet meer dan vanzelfsprekend, daar hoef je niets voor te laten, maar het maakt de velden nog niet vruchtbaar. Het karaktervolle doen en laten van de weduwe echter maakt die velden wel vruchtbaar. Er spreekt immers een diep vertrouwen uit in de Eeuwige, dat Hij hoe dan ook zal zorgen dat er mensen op haar weg komen. Daarom heeft zij de moed om te geven. Jezus zet haar op de voorgrond als voorbeeld hoe zij het Koninkrijk van God vertegenwoordigt; zij vertrouwt de ander en durft zich te geven. Met dit verhaal in ons achterhoofd, doemt er een vraag op: zijn wij ook karaktervolle geesteskinderen van de Eeuwige, die de deur open zetten en een ommetje durven maken om hen die in de verdrukking zitten, die zich gediscrimineerd voelen, misschien vooral vandaag op het Sinterklaasfeest, niet te laten stikken? Zijn wij die karaktervolle geesteskinderen van de Eeuwige die de durf hebben rozen open te laten klappen, de velden vruchtbaar te maken door in aandacht te leven voor hen die even niet kunnen dragen, even niet verder kunnen, even teveel zijn blijven hangen in de angst voor de vreemdeling, even teveel denken in wij en zij? Zijn wij die karaktervolle geesteskinderen van de Eeuwige die Zijn velden vruchtbaar maken door te zoeken naar vrede, begrip en de balans tussen zijn en niet zijn, de balans tussen gehoor geven en nooit, maar dan ook nooit zwijgen over onrecht?
Amen.