ds. Aart Mak (Bloemendaal): “Hoe licht kun je leven?”, n.a.v. Mattheus 19: 13-16

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 10 januari 2018  *

Voorganger: Ds. Aart Mak (Bloemendaal)

Hoe licht kun je leven?“, n.a.v. Mattheus 19: 13-16

 

Hoe licht kun je leven? Leven met zo min mogelijk zorgen. Zonder al te veel gedachten die je afleiden. Dat je ergens bent en dat je er dan ook helemaal bent. En als het van­daag is, dat je dan niet aan gisteren denkt. En dat als je iemand tegenkomt, dat je die ander dan onbevangen tegemoet treedt, zonder angst voor wat hij zou denken over jou. Of zonder oordeel over jezelf, geboren uit angst of je wel goed genoeg bent. Kun je als mens wel licht leven? Of desnoods lichter, in elk geval niet zo zwaar?

En als je dan zo vrolijk als wat bent, je hebt je dag, het zonnetje lacht je tegemoet, er loopt niets tegen, alles valt op z’n plek – wat doe je dan? Je bent het niet gewend. Je bent ge­wend dat er altijd wel iets is. Wolken bij de zon. Tegenwind als je gaat fietsen. Zou het zo iemand zijn geweest die op Jezus afkwam en hem de vraag der vragen stelde? Een tikkie zwaarmoedig. “Nee,” zegt hij dan, “ik ben niet depressief, ik ben een realist. Ik tel mijn zegeningen, heus waar. Maar ik lig ook ’s nachts wel eens wakker van de zorgen.” “Wel eens?” vraag ik. “Ja maar,” zegt hij, “ik geloof in wonderen, oh ja.” “Maar je rekent er niet op,” antwoord ik. Nuchtere Nederlander. Er is altijd wel wat. Hoe zou zo iemand in dit land achter de dijken met z’n nog steeds sterke moraal licht kunnen leven? Dan doen de Italianen maar. Maar moet je kijken wat die er economisch van bakken. De grote meneer uithangen. De levensgenieter, maar intussen.

Zou het zo iemand zijn geweest? Of zou hij helemaal niet bezig zijn met het nu maar met de toekomst, niet met dit leven maar met het leven na de dood? Als ik dan dood ben, hoe kan ik dan eeuwig leven? Hoe veel moet ik er nú aan doen om straks onbe­zorgd te kunnen rondhuppelen door de hemelse dreven? Zou die iemand zonder naam in dat oude verhaal dát bedoeld hebben met zijn vraag? Was hij bezorgd om de eeuwig­heid? Of had hij er bij gestaan, zo-even nog en had hij Jezus de kinderen zien aanraken met zijn handen op hun hoofdjes, om hen te zegenen? En dacht hij toen: ‘Wat gebeurt hier?’ En hoorde hij Jezus spreken over een koninkrijk van de hemel dat toebehoort aan mensen zoals die kinderen? Misschien dat daarom die vraag in zijn hoofd opkwam? Eeuwig leven. Zoals die kinderen die zijn zoals ze zijn, doen wat ze willen doen, spelen of stil voor zich uit kijken, hard lopen of verstoppertje spelen, alles willen weten en ook kattenkwaad uithalen. Alsof je altijd met vakantie bent, geen wekker hoeft te zetten, doen wat je wilt. Zó leven alsof het eeuwig is. Ik herinner mij dat voor mij als kind de tijd niet bestond. Nu was nu. Zo is het en ik vroeg me niet af of het ook anders kon zijn. Niet vergelijken, niet oordelen, het is wat het is en je gaat er helemaal in op. Als een kind in zijn spel. Zou die man dat bedoeld hebben met zijn vraag naar het eeuwig leven?

En dat weten we nu net niet. Helaas, daar komen we niet achter. En iedereen die dit verhaal hoort, zal er weer andere gedachten bij hebben. Eeuwig leven hoort voor veel mensen thuis op de begraafplaats. Pas de mensen die dood zijn komen toe aan eeuwig leven. Hopelijk. Je weet het niet, niet zeker in elk geval. Eeuwige rust, eeuwig leven.

Maar daarvoor  niet. Hier niet. Werken zul je, in het zweet uws aanschijns. Dorens en titels op je levenspad. Bloed, zweet en tranen, om André Hazes’ lied te citeren. En het staat nog in de bijbel ook, we hebben het paradijs, de plaats van onbezorgdheid en leven als een kind, verloren. En terugkeren kan niet, door die engel met zijn flikkerende zwaard.

Maar nu moet ik wel denken aan de tijd waarin wij leven. Die tijd waar altijd wat aan de hand is. Dat voortdurende gedoe. Een continu bombardement aan informatie, feiten, hele en halve waarheden, leugens ook, meningen, discussies, beelden, die onrust. Het woord Smartphone-verslaving viel de laatste weken ineens. Kinderen met ADHD, die kenden we al. Volwassenen die slecht slapen omdat ze te laat naar bed gaan omdat er eerst nog te veel nog even afgemaakt moet worden. De ratrace van de millennium-ge­neratie, hun opvallende neiging tot perfectionisme, ook in het nieuws de laatste dagen. Het succes dat wordt voorgespiegeld en dat in werkelijkheid niet is wat het lijkt. Want je hebt afvallers en winnaars. Maar wanneer ben je een winnaar? En hoe voelt dat? Net zo lang tot je weer verliest. En die onzekerheid, die eeuwige onzekerheid. Dat is het tegen­beeld van waar die man naar vraagt, eeuwig leven.

Weet u, deze tijd is te vergelijken met iemand die in een theater zit te kijken naar iets moois en dan ineens schiet het die mens te binnen dat hij vergeten is zijn huis af te sluiten. Of z’n auto niet goed heeft dichtgedaan. Of misschien wel eraan twijfelt of hij het gas wel heeft dichtgedraaid. En daar zit hij. Hij kan niet weg, maar zijn aandacht is er niet meer bij, laat staan dat hij geniet. Dat is het beeld van de moderne tijd. We zijn met teveel tegelijk bezig en we missen de eenvoud, de ongedwongenheid, de zorgeloos­heid. En we vragen ons af: hoe kan ik rust vinden? Wat moet ik doen om het eeuwige leven te verkrijgen? Zonder storende bijgeluiden, zonder afleidende gedachten? Zonder alle gedoe waardoor je steeds weer van het padje raakt. Hoe kan ik licht of in elk geval lichter leven?

Verderop in dit verhaal blijkt die man met die vraag wel een goeie kerel te zijn. Hij deugt. Hij doet het goed. Hij is sociaal, voorkomend, beleefd, niet egoïstisch, betrouw­baar kortom. En dan zegt Jezus: nog één ding. Verkoop alles wat je hebt en kom dan bij mij terug. En dat lukte hem niet. Hij wilde het niet, kon het niet, durfde het niet. Teleurgesteld druipt hij af. Arme man. Ik zou het geweest kunnen zijn. U ook misschien. Want ik ben gehecht. Aan zoveel. Mijn vrouw. Mijn kinderen. Mijn kleinkind (vandaag 1 jaar geworden). Mijn vrienden. Mijn dingen om mij heen. Mijn inkomen. Wat is het pro­bleem? We zijn met teveel bezig en ook nog eens tegelijkertijd en we willen niets kwijt. En daarmee zijn we door de veelheid de eenvoud kwijt geraakt. En dat zit ons dwars. En we voelen het bij vlagen allemaal. We hebben onze goeie voornemens in januari. Maar dan laten we ons weer meeslepen door de maalstroom van het leven. En we gaan weer leven bij stukjes en beetjes, fragmentarisch dus.

Maar als we nu eens als een kind terugkeren bij de kern?

We moeten niks, we mogen.
We zouden niet dit of dat, we zijn.
We hoeven niet zo nodig, we zien wel.

We zijn niet wat anderen van ons vinden, we zijn van God  en die oordeelt niet.
We proberen niet van alles te doen, maar we laten het een keer gebeuren.
We praten niet, we zwijgen.
We houden niet zelf alsmaar de controle, maar we vertrouwen.

Tja, hoe licht kun je leven? En hoeveel moeten we allemaal loslaten, laten gaan, weg ermee, al die flauwekul, voor we in de buurt van Jezus en dus van God kunnen komen? En dan ontdekken dat die (God of de geest van Jezus) er altijd al was. We keken en leefden eraan voorbij. Het is zo eenvoudig dat het bijna niet te geloven is. We kunnen echt zoveel lichter leven!

Aart Mak werkt voor de stichting Kerk Zonder Grenzen en is elke zondag te horen via Radio Bloemendaal: www.radiobloemendaal.nl