ds. Aart Mak (Haarlem): “Verveling”, n.a.v. Marcus 4: 26-29

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 3 april 2019  *

ds. Aart Mak (Haarlem)

Verveling“, n.a.v. Marcus 4: 26-29

En hij zei: ‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.’

Thema, tekst vooraf:
Ik denk dat de enige remedie voor mensen die gehaast en vol van gedachten en plannen leven, hun oren en ogen voortdurend gespitst op het laatste nieuws en altijd tijd voor alles wat zij willen tekort komend, de verveling is. Wij moeten ons weer durven vervelen. De verveling die ik als kind een keer onderging en afwees – ik weet nog precies de dag en het uur, is tegelijk het medicijn. Daarover deze keer bij de ADK, aan de hand van een paar regels uit het evangelie over de man die slaapt en opstaat, opstaat en slaapt…

Verveling

Ach Heer, als ik ooit in uw hemel kom,
mag ik me dan eindelijk een keertje vervelen?
Kijkt daar geen instantie streng naar ons om
of wij ieder uur nog wel leren en spelen?
En mag je, als er ergens iets moois is te zien
gewoon blijven zitten niksen misschien?
Of moeten we daar óók, fraai in ’t gelid,
alle lessen volgen over cultuur en kunstbezit?

Luister naar deze gelijkenis:

En de mens, de landman, kind van de aarde, werpt zaad over de aarde. En hij slaapt en staat op. Hij weet niet hoe het werkt. Het zaad dat in de donkere aarde ontkiemt is een kracht buiten hem om. Het gaat ‘van zelf’. En al gaat dit zaad door zijn handen heen, hij mag het slechts verstrooien. Hij kan aan het eigenlijke werk, sterven in de aarde om uit te groeien tot volle vrucht, weinig toe- of afdoen. Het gaat om vertrouwen en geduld, om zachtmoedigheid en vastberadenheid.

En het gaat om je niet verkijken op de tijd. Tijd is zo relatief. De boer die opstaat, zaad strooit in de akker en weer gaat slapen, kent geen tijd dan het wisselen van dag en nacht. Het koninkrijk van God, de stille kracht in en om ons heen, kent zo’n andere tijd dan onze digitale, razende, druk en overspannen makende tijd.

Vroeger wist ik wat verveling was. Het gevoel dat de tijd kroop. Ik was een jaar of vijf. Alles wat mijn moeder verzon, werd door mij afgewezen als saai en stom. Ja…
. . . ik zag de hoge bomen staan,
. . . ik was een kind en kon toen niet weten
. . . dat dit gauw voorbij zou gaan…
om het mooie lied van Friso Wiegersma en Wim Sonneveld te parafraseren (‘Langs het tuinpad van mijn vader’).

Dat was toen de tijd soms bijna stil stond en de klok traag tikte.
Veel gezangen van vroeger kunnen bij mij dezelfde sfeer van die voorbije tijd oproepen. Het godsbeeld van voor de Wereldoorlog, waarin God zelf stond voor rust en zekerheid te midden van wolken, lucht en winden, het wisselen van alles op zijn wenken, het rusten van de ziel omdat God koning is – al die liederen kunnen mij, eerlijk gezegd, op een speciale manier ontroeren en terugvoeren naar een tijd die niet meer is. Het is de tijd van de kruidenier, de melkboer die aan huis bezorgde, de weilanden die aan de rand van het dorp al begonnen, van wegen die nog geen snelwegen waren, van het wandelen op zondagmiddag, van de radio die aanging voor het nieuws, van de ijskristallen op je deken in de winter, van de karren en de paarden, van de kersen, aardbeien, appels en peren, als de zon scheen en van alle koolsoorten, als het winter was.

Verveeld heb ik me nooit meer. Nu is al jaren het omgekeerde het geval. Ik heb, net als veel moderne kinderen met ADD of ADHD, soms moeite om te kiezen uit het vele dat zich aandient. Ik ken ook de haast waarmee veel van mijn dagen als vlagen voorbijgaan. Het beeld van God is niet voor niets in de moderne tijden versplinterd. Wij leven tegenwoordig in fragmenten en dus ligt God aan gruzelementen. Veel jonge mensen hebben moeite zich te concentreren op één ding en op de plaats waar ze op dat moment zijn. Hun gedachten dwalen snel af naar wat ook kan en wat elders gebeurt. Dat geldt niet alleen jonge mensen, maar het wordt al jaren gesignaleerd in het onderwijs. En als niemand zich nog kan voorstellen dat er onder of boven alles een eenheid is die in volkomen rust is, dan is dat oude klassieke beeld van God ook weg. En dus zoeken we naar de scherven van wat we vroeger als de hoogste waarheid beschouwden.

Maar nu denk ik werkelijk dat de enige remedie voor mensen de verveling is. De verveling als medicijn voor mensen die gehaast en vol van gedachten leven, voorbij rijdend of rennend aan de bloemen in de berm en hun oren voortdurend gespitst op het laatste nieuws. Wij moeten ons weer durven vervelen. De verveling die we niet wensen of ons niet kunnen voorstellen, is tegelijk het medicijn. We kunnen niet terugkeren naar het tuinpad van mijn vader. Want vader leeft niet meer en het tuinpad is, als het nog bestaat, een toeristische route geworden. Maar we kunnen wel de trage tijd in onszelf opzoeken.

Het is de terugkeer van het vele naar het ene. Van de zes overvolle werkdagen naar die ene rustdag. Al die indrukken en gedachten, alle impulsen en dingen die moeten: het homeopathische medicijn is juist alles laten voor wat het is en je te binnen brengen dat het gaat om vertrouwen en geduld, om zachtmoedigheid en vastberadenheid. Net als die boer, die gaat slapen en weer opstaat, opstaat en weer gaat slapen. En het zaad groeit zonder dat hij zelf weet hoe. Het is zo saai en zo vervelend. Je zou zo niet willen leven. En tegelijk is het die verveling die ergens van binnen je opent voor iets dat gaande is. De aarde in en uit, in het donker groeiend, wat sterft en daarom juist vrucht draagt, wat in alle stilte ontluikt en zich ontvouwt voor wie de tijd neemt. Er is meer, veel meer, dan wij weten. En helemaal veel meer dan wij ooit in onze overvolle agenda kunnen zetten. Vandaar dit pleidooi voor de verveling…

Ach Heer, als ik ooit in de hemel kom, –
mag iemand daar eerst een tijd zo maar wat wonen
of horen de thuisblijver streng gebrom
wanneer u een melkwegje gaat vertonen?
En mag je, als een engelenkoortje optreedt,
dan net doen alsof je er niets van weet,
of krijgen we daar dan tegen onze zin
eerst een zware langdurige cursus in?

Ik zou graag geloven – of heb ik het mis? –
dat ledigheid des Heren oorkussen is.

De schuingedrukte verzen zijn een lichte bewerking van het gedicht van Michel van der Plas: ‘Ach Heer’ (uit: ‘Lachen mag van God’)


 

≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡≡

Hubert Korneliszoon Poot (1689-1733)

Akkerleven

Aan de heer Mr. Kornelis ‘s-Gravezande, rechtsgeleerde

Hoe genoeglijk rolt het leven
Des gerusten landmans heen,
Die zijn zalig lot, hoe kleen,
Voor geen koningskroon zou geven!
Lage rust braveert de lof
Van het hoogste koningshof.

Als een boer zijn hijgende ossen
‘t Glimmend kouter door de klont
Van zijn erfelijke grond
In de luwt’ der hoge bossen
Voort ziet trekken; of zijn graan
‘t Vet der klei met goud belaên;

Of zijn gladde mellekkoeien
Even lustig, even blij
Onder ‘t grazen, van ter zij
In een bochtig dal hoort loeien:
Toon mij dan, o arme stad,
Zulk een wellust, zulk een schat.

Welige akkers, groene bomen,
Malse weiden, dartel vee,
Nieuwe boter, zoete meê,
Klare bronnen, koele stromen,
Frisse luchten: overvloed
Maakt het buitenleven zoet.

Laat een koopman koopmanswaren,
Huis en hof en kas en goud
Wagen op het schuimend zout
Waar de witte zeilen varen,
(Varen, maar met groot gevaar):
Veemans rijkdom blijft van daar.

Laat de drukke pleitzaal woelen,
Menigen vrezen dat de schaal
Van de vierschaar rijze of daal’
Voor de strenge rechterstoelen:
Veeman houdt zich bij zijn vee,
En daar blijft zijn zorg mee.

Zaaien, planten en verzetten
Geeft hem werk. Hij vist en jaagt.
Dikwijls valt hem, eer het daagt,
Vliegend wild in loze netten.
Dikwijls voert hij met zijn raên
Grazig zuivel steewaarts aan.

Appels enten, peren plukken,
Maaien, hooien, schuur en tas
Stapelen vol veldgewas,
Schapen scheren, uiers drukken,
Zeven kinders en een wijf
Zijn zijn daag’lijks tijdverdrijf.

Vork en riek en schup en spade
Zetten zijne lusten pal,
‘t Zij de welgemeste stal,
‘t Zij de boomgaard hem verzade,
‘t Zij de kruitben niet te loom
Op zijn lage tafel koom’.

Als de lente ‘t land beschildert,
Als de zomer zweet en gloeit,
Ploegt en spit hij onvermoeid.
Als de winter ‘t woud verwildert,
Houdt hij de berookte haard
Met zijn vrienden, rond van aard.

‘t Herfstseizoen, vooral te danken,
Snijdt hem druiven, perst hem most,
Most die slechts wat moeite kost:
Hemelwaarde wijngaardranken
Vullen dan met wijn zijn ton.
Onlangs schutten ze ook de zon,

Want des zomers, na veel zwieren,
Neemt hij, om zich goed te doen,
Onder ‘t loof een slaapje in ‘t groen,
Waar de vogels tierelieren,
Waar een levendige vliet
Van de steile rotsen schiet.

Els, zijn liefste door het trouwen,
Wiegt met zang hem waar hij slaapt,
Schoon ze vrij al wijder gaapt
Dan de hoofse staatjonkvrouwen,
En hij kust er Elsje voor.
Zo brengt Melker ‘t leven door.

Zeg mij nu, o ‘s-Gravezande,
Die, behalve meer, ook weet
Hoe een boer zijn tijd besteedt:
Toon me, o Recht-licht in den lande
(Zo zij U mijn zang gewijd),
Wie zijn leven beter slijt.