ds. Annette Bosma (Sassenheim): ‘Vreemdeling…’ n.a.v. Marcus 8: 27-30

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 21 januari 2018  *

Voorganger: ds Anette Bosma (Sassenheim)

Vreemdeling‘, n.a.v. Marcus 8: 27-30

In deze veertigdagentijd horen we in de kerken de verhalen over de gang van Jezus naar Jeruzalem. En onderweg horen we mensen regelmatig ‘nee’ zeggen. Op alle mogelijke manieren klinkt in de lijdensverhalen het ‘nee’ van mensen op.

Wij zijn ‘nee-zeggers’. Maar het lastige is, dat we toch nooit helemaal van Jezus afkomen, dat we hem altijd weer ergens ontmoeten. De wereldgeschiedenis komt nooit meer van hem los. En zo ontmoeten we hem ook vandaag weer. We ontmoeten hem, of we willen of niet. De wereld komt niet meer van hem los, al trekt ze zich ook nog zo weinig van hem aan. Op de meest onverwachte momenten gaat hij tussen ons: de Vreemdeling, Jezus van Nazareth.

Je kunt niet zeggen dat hij je niet vreemd is, omdat je al als klein kind over hem hoorde en omdat je verhalen hebt gehoord, of zelf de verhalen hebt gelezen, over zijn persoon, zijn werk en zijn leer. Vreemd is hij, in de kribbe. Want dat is toch een vreemde komst, een vreemde stijl. En als hij tussen de mensen gaat, is hij vreemd. Iets meer aanpassingsvermogen was wenselijker geweest.

Nu weten de mensen niet wat ze met hem moeten: verguizen of bewieroken. Ze doen het allebei. De vrienden zijn gevlucht. Ze konden nog niet één uur met hem waken en in het meest moeilijke moment laten ze hem alleen. Judas, één van degenen die bij hem hoorde, verraadt hem. Petrus, één van degenen die bij hem hoorde, verloochent hem. En het volk, dat duwt hem weg. Uiteindelijk wint de verguizing dus: het kruis.

En daar is hij ook vreemd. Verlaten, gebroken, eenzaam en toch van een vreemde koninklijkheid. Vreemd is hij, als er wordt gezegd dat hij leeft. Er zijn boekenkasten vol over hem geschreven.

Kerkvergaderingen hebben zich, na lang beraad, uitgesproken over zijn natuur en wezen. Daar kan wel onverschillig over worden gedaan, maar daar is diep over nagedacht, in onze jachtige oppervlakkigheid kunnen we daar niet aan tippen.

En eigenlijk heeft men toen in weldoordachte woorden ook gezegd: Hij is de Vreemde, de Andere. Het kan zijn, dat hij ons ook wat irriteert met zijn vreemdheid. We noemen hem onwerkelijk. Wat doe je ermee.

We zouden gedane zaak met hem willen maken, want we spelen het toch zelf wel klaar. En het kan ons zeker lukken. Deze vreemdeling dringt zich niet op. Tot hij ineens weer bij ons is. Ergens waar ons leven aan de rand wordt gedrukt. Dan zeggen we zijn naam. En wie dat een vloek noemt, weet niet dat een vloek ook kan bidden.

We proberen hem soms in te passen in onze idealen, onze plannen. Je kunt met hem doen wat je wilt. We zetten hem op ons podium. Hij zal onze idealen dienen, hij zal meedoen. Onmerkbaar gaat hij weg. Misschien ontmoeten we hem dezelfde dag nog, als we alleen zijn.

Wij laten hem mee marcheren op de maat van onze liederen. Kom tussen ons in, want in christelijk Nederland is het niet echt, als hij er niet bij is. Maar hij gaat er vreemd uit de pas. En voor we het weten, is hij niet meer tussen ons. Als we uitgezongen en moe zijn en weer thuiskomen, met ergens van binnen iets van twijfel of het wel zuiver was, ontmoeten we hem weer.

We maken hem één van de leden van ons vroom gezelschap en nemen hem op bij degenen die weten hoe het hoort en moet. Daar zijn we met hem thuis. Onder elkaar, zo is het goed. Vreemd en onwennig zit hij, een onverstaanbaar gemompeld woord, en hij verdwijnt. En als ik ’s avonds door buurten kom, waar ik me niet echt thuis voel en waar ik snel doorheen loop, daar waar ik geen deel aan heb, dan zie ik hem staan….en spreken met hen, waar ik me niet echt bij op m’n gemak voel.

Waarom speelt hij het spel niet mee? Als ik uitbundig wil leven, alles eruit wil halen wat erin zit, je leeft ten slotte maar één keer….daar gaat de vreemdeling en hij draagt een kruis. Als ik wil klagen over het leven, dat toch echt niet meevalt. Wat hèb je nu in je leven?

’t Is toch één en al ellende…. daar staat de vreemdeling te genieten van het spel van de kinderen, van de bloemen op het veld en van de ‘vogelen des hemels’.
Altijd anders. Hij stoort ons. We bedoelen het zo goed. We zijn nu eenmaal zo. Waarom doet hij niet gewoon mee?

De grootinquisiteur van Sevilla, een personage uit één van de beroemde boeken van Dostojevski, De Gebroeders Karamazov (ik heb het zelf niet gelezen, maar heb erover gelezen), heeft het begrepen: kerk en wereld, alles wordt door deze vreemdeling verstoord. Zo wordt het nooit wat. Hij is in gesprek met Jezus en op een gegeven moment, na een lange monoloog, zegt hij ‘Ga weg, kom nooit meer. Hoort u het: nooit meer !….’.

De vreemdeling zwijgt, gaat naar de man toe en kust hem op zijn koude mond. De grootinquisiteur beeft. De vreemdeling gaat door de donkere nacht. Die kus op de lippen van de vijand, dat is de zin van deze vreemdeling.

De vreemdheid van Gods liefde, Gods vrede, Gods waarheid, die in deze wereld niet anders dan vreemd kunnen zijn. Gelukkig komt deze vreemdeling altijd weer terug.