ds. Annette Bosma (Sassenheim): “Vrijheid”, n.a.v. Lucas 15: 11-25 en Galaten 5: 1

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 14 november 2018  *

ds. Annette Bosma (Sassenheim)

Vrijheid“, n.a.v. Lucas 15: 11-25 en Galaten 5: 1

Vrijheid’ is een fascinerend woord. We hebben dat allemaal wel, de drang naar vrijheid, verten, de ruimte, de ongebondenheid, de wens onszelf te kunnen zijn. De droom van de vrijheid is er niet alleen bij de enkeling.
Steeds weer heeft deze droom volken en groepen in beweging gebracht. Er zijn ook veel en grote offers voor gebracht. ‘Vrijheid’, het woord dat in veel leuzen die over de aarde schallen, wordt gebruikt.
Vrijheid voor iedereen; vrijheid, werk, brood…, dat zijn de zaken waar het mensenleven om draait.

Het is ook de vrijheid die de jongen uit de gelijkenis bezielt. De gelijkenis die vaak wat onnauwkeurig ‘de gelijkenis van de verloren zoon ’ wordt genoemd.
De jongen wil vrij zijn. Hij heeft het thuis niet slecht, zijn vader is goed voor hem. Maar dat thuis zijn, die controle, nooit eigen baas zijn… en alles zo klein, benauwd, die muren, het huis, het stuk land ….
De vrijheid daarachter: de steden, de landen, de mensen. Het leven moet toch meer te bieden hebben.

En zo gebeurt het dat hij op een dag voor zijn vader staat: ‘Geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb. Ik wil vrij zijn …’.
Zijn vader houdt hem niet tegen. Hij mag naar zijn zelfgekozen vrijheid. Met een beetje fantasie kunnen we het voor ons zien: de poort gaat open, de vader kijkt zijn zoon na, zwaait hem uit en de zoon rijdt weg. ‘Maakt u zich maar niet bezorgd, ik red me wel. Ik kan op eigen benen staan’.

Dat is leven. Vrij durven zijn. En dan stand houden in die vrijheid. Maar de vrijheid wordt een soort vrije val, van het één in het ander.
Hij leegt de beker van het leven tot de bodem. En dan ontdekt hij dat deze vrijheid eigenlijk niet echt vrijheid is, maar een nieuw slavenjuk. Hij kan er geen stand houden, hij wordt er door meegesleurd.
Hij is van veel dingen zeker bevrijd, van zijn vader, van het toezicht, van de regels thuis, de traditie, van ik weet niet wat nog meer. Maar hij is niet echt bevrijd tot iets beters. Hij is als het ware bevrijd tot ongebonden vrijheid.

En dat loopt uit op een ramp. Hij vindt zichzelf terug bij de varkens. Daar, tussen de brokstukken, denkt hij na over deze stuurloze vrijheid. ‘Ik zal naar mijn vader gaan…’. Misschien is hij tot de ontdekking gekomen dat echte vrijheid daar is, waar je niet krampachtig vrij wilt zijn, maar waar je vrijwillig ook gebondenheid aanvaardt.
Waar je bereid bent je ook te voegen in de gemeenschap. Dan is gebondenheid geen last. Wanneer de zoon weer thuis komt, is er het welkom door de vader. Geen enkel woord van verwijt. De zoon is geen knecht meer, hij is hier weer kind.

Als we het zo lezen, dan kan ‘vrijheid’ niet zomaar als algemene term worden gebruikt. Want ‘vrij zijn’ op de manier van deze zoon, het vrij-zijn van…., je eigen gang kunnen gaan, ‘groots en meeslepend wil ik leven’, dan word je als het ware wakker tussen de varkens. Dan zie je de chaos.

Wat hebben we aan vrijheid, als dat ons een wereld geeft zonder verband, zonder solidariteit, zonder liefde? We moeten ons toch ergens bergen. En dan, het zal u niet verbazen, komt de tekst uit Galaten.
Houd stand in de vrijheid…’, maar dat is hier wel een heel bepaalde vrijheid, het is ‘de vrijheid waartoe Christus ons heeft bevrijd’, schrijft Paulus. De zoon uit het verhaal vindt een heel bepaalde vrijheid.
Hij gaat terug naar huis, naar zijn vader. Hij wordt weer kind van zijn vader. De vrijheid, waarmee Christus heeft vrijgemaakt, is deze, dat degenen die ongelukkig zijn met ‘hun vrijheid’, zich weer kunnen bergen in het huis van de Vader.

Jezus is, volgens Paulus, de enige echt volkomen vrije mens geweest. En ook volkomen gebonden aan God. Zo is Hij in deze wereld een open deur geweest, terug naar God. Hij is in de wereld geweest als een openbaring van een andere mogelijkheid voor ons.
Namelijk van het vrij en blij mens-zijn bij en van God. Om daar de deur open te zien en je daar te bergen. Dat betekent vrijheid en gebondenheid tegelijk. Houd dus stand in die vrijheid. Dat heeft iets dynamisch.
In die vrijheid kunt je niet gaan liggen, of blijven zitten. Wie zo vrij is, houdt stand. Die weet zich geroepen. Die heeft iets te doen. En dan komen de vrijwillig aanvaarde huisregels ‘heb God lief en je naaste’.

De brief van Paulus is lang geleden geschreven en van toepassing op de situatie van toen. Toch schrijft hij in deze brief over de vrijheid zo, dat het ook nu en ook midden in ons leven komt te staan, midden in het leven met de ander, die de naaste is, in het leven van werk en ontspanning.
Want in die vrijheid weet je, mens van God te zijn en toekomst te hebben. Dan weet je dat je leven een kans is, jou gegeven om God lief te hebben en je naaste te dienen. Heel concreet daar, waar jij leeft, woont en werkt of niet meer werkt. Ieder met zijn of haar eigen mogelijkheden.

Amen