ds. Bas van der Graaf (Amsterdam): ‘Jezus, onze koning en onze priester’, n.a.v. Psalm 110

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 23 mei 2018  *

Ds Bas van der Graaf (Amsterdam)

Jezus, onze koning en onze priester, n.a.v. Psalm 110

Gemeente, gasten in ons midden,

Psalm 110 was voor de vroegste volgelingen van Jezus een ongelooflijk belangrijke psalm. Het was met name dit oude lied van Israël dat hen hielp om te ontdekken dát en in welk zín Jezus de Messias, de Christus is. En dat dit werkelijk een ontdékkings­tocht was, blijkt op allerlei plaatsen in het Nieuwe Testament. Telkens zie je, hoe de verschillende schrijvers wat ze gezien en gehoord hebben over Jezus uitleggen en interpreteren aan de hand van teksten uit hun Bijbel, het Oude Testament. En Psalm 110 – een van de zogenaamde Messiaanse psalmen – werd daarvoor misschien wel het vaakst gebruikt. Deze Psalm, vol mysterie en diepgang, gaf die vroege christenen de woorden en de kaders voor hun geloofsbelijdenis aangaande Jezus.

* Psalm 110 geeft dus een soort profielschets van de Messias. En het eerste deel van dat profiel ligt in lijn met wat veel Israëlieten daarvan verwachtten, namelijk dat de Messias koning zal zijn.

Eén ding is van meet af aan duidelijk: het is God zelf die de Messias tot koning maakt. Kijk maar naar de eerste zinnen van de Psalm. Daar spreekt de HEER (hoofdletters) tot een heer (kleine letters): ‘Neem plaats aan mijn rechterhand’. En in vers 2 lezen we: ‘Uit Sion reikt de HEER u de scepter van de macht.’ Met andere woorden: de Messias regeert bij de gratie van God en in nauwe verbondenheid met God. En meteen wordt ook wel duidelijk, dat het hier om meer dan een menselijke koning gaat. Deze koning heeft bovenmenselijke trekken en bovenmenselijke macht. Hij overstijgt dus het aard­se koningschap, zelfs van grote koningen als David en Salomo. Eeuwenlang wist men daar binnen het Jodendom dan ook niet echt raad mee: hoe moeten we dat zien en hoe verhoudt zich dat tot de kern van Israëls belijdenis, dat God, de HEER, één is? Maar toen Jezus eenmaal was gekomen, was gestorven, opgestaan en opgevaren naar de hemel, toen viel alles op zijn plaats. Opeens werd duidelijk hoe letterlijk die woor­den ‘aan Gods rechterhand‘ genomen moesten worden en al snel werd dat het hart van het christelijk geloof: Jezus, de Messias, is door zijn Vader tot koning gemaakt en zit na de hemelvaart aan Gods rechterhand. Hij is Heer, hij regeert.

En dat die regering van Jezus ook een heftige strijd betekent met vijandige machten maakt Psalm 110 ook duidelijk. De regering van de Messias is een soort eindstrijd, waar­van de overwinning weliswaar vast staat, maar die daarom niet minder heftig en serieus is. ‘Eens komt de dag‘, zo zegt vers 1, ‘dat God van je vijanden een bank voor je voeten maakt‘, een teken van de absolute overwinning. Maar zover is het nog niet, tot die tijd gaat de strijd nog door. Een ruige strijd, waarvoor de Psalm beelden gebruikt die we maar al te goed kennen uit allerlei films, maar die we misschien niet verwachten bij Jezus. Hoe lastig we ze in onze tijd ook vinden, ze drukken iets uit van de strijd op leven en dood tussen Christus en de machten. Een strijd, die vast en zeker in het voor­deel van Christus zal worden beslecht.

* Jezus is dus volgens Psalm 110 de door God gegeven koning, die alle macht heeft gekregen in hemel en op aarde. Een boodschap die wel in de lijn van Israëls verwach­ting lag, maar daar toch ook ver bovenuit steeg.

Veel verrassender wordt het echter in vers 4. Daar maakt de dichter van de psalm na­melijk duidelijk, dat de Messias niet alleen koning maar ook priester zal zijn. Nu ver­richtten koningen in Israël soms inderdaad cultische taken, maar geen van de koningen wás ook priester. Dat kon ook niet, want priesters behoorden tot de stam van Levi en koningen tot de stam van Juda. Het was dus normaal gesproken onmogelijk, dat een priester koning zou worden en andersom. De ordening in Israël liet dat gewoon niet toe.

Maar met de koning van Psalm 110, de Messias, wordt die orde dus doorbroken. Nota bene door God zelf. Vers 4 zegt het zo: ‘De HEER heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug: ‘Je bent priester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek was.’ Priester voor eeuwig: dat betekent dat God een nieuwe orde instelt en het koningschap van Israël definitief verbindt met het priesterschap.’

Een nieuwe ordening dus. Maar toch ook niet helemaal nieuw, want heel lang geleden, in de tijd van Abraham, was er een koning over Jeruzalem, die Melchisedek heette en hij was ook priester van de allerhoogste. Het verhaal over de ontmoeting van Abraham met Melchisedek in Genesis 14 is heel raadselachtig, maar de dichter van Psalm 110 ziet in Melchisedek een voorloper van de Messias. Ook Melchisedek was geen lid van de stam van Levi, maar was toch priester. En daarom zegt hij: de Messias zal priester zijn naar de orde van Melchisedek.

En hier geldt eigenlijk hetzelfde als met dat koningschap: eeuwenlang wist het Joden­dom niet goed raad met deze woorden, maar met de komst van Christus viel het al­lemaal op zijn plek. Wonderlijk is wel, dat er in deze Psalm verder niets wordt gezegd over wat dan de priesterlijke taak van de Messias zal zijn, maar dat zal met de komst van Christus duidelijk worden.

Amen