ds. Greteke de Vries (Amsterdam): ‘Met Rembrandt naar Jezus’, n.a.v. Matteus 19: 13-22

*  Alle-Dag-Kerk Amsterdam, Middagpauzedienst 20 februari 2019  *

ds. Greteke de Vries (Amsterdam)

Met Rembrandt naar Jezus‘, n.a.v. Matteus 19: 13-22

100 gulden-prent

2019 is uitgeroepen tot Rembrandtjaar. Het is 350 jaar geleden dat de grootste schilder van Nederland is gestorven.
Rembrandt schilderde niet alleen, hij maakte ook tekeningen en etsen.
Eén van zijn etsen – favoriet van de predikant – toont Jezus met om hem heen een grote menigte. Wie nauwkeurig kijkt ontdekt personen uit verschillende gedeelten van het Matteüs-evangelie. Opeens staan ze bij elkaar, hebben ze met elkaar te maken: de rijke jongeling, de moeders die hun kinderen naar Jezus brengen, de zieken die verlangen genezen te worden. En natuurlijk ook de volgelingen van Jezus, zijn critici en nieuwsgierige toekijkers.
Welk licht laat Rembrandt schijnen op de verkondiging van Jezus van het Koninkrijk van God?
De ets is via internet makkelijk te vinden onder de naam: de honderdguldenprent van Rembrandt van Rijn.
U heeft een afdruk gekregen van de ets die bekend staat onder de naam ‘De honderdgulden-prent’. Het is niet de officiële naam, die luidt: De predikende Christus.
De ets heeft een bijnaam gekregen. De één zegt: het komt doordat Rembrandt 100 gulden moest betalen om zijn ets van iemand terug te kopen.
De ander zegt: Rembrandt kreeg er 100 gulden voor en dat was kennelijk een opmerkelijk bedrag.
Hoe dan ook: de bijnaam is grappig, maar de echte titel vind ik evenmin passend. Is dat nou wat Jezus daar staat te doen: preken?
Dit is de afbeelding op ware grootte: 35 cm lengte, 28 hoogte.
Jezus staat min of meer centraal. Links van hem, voor ons rechts op de afbeelding, zitten en liggen zieke en hulpbehoevende mensen.
Heel gedetailleerd kunnen we al die personen zien die naar Jezus zijn toegekomen of gebracht. Gij, eeuwig licht, vernieuw alsjeblieft mijn leven –
dat zal hun diepe wens zijn. Ze knielen, smeken, wijzen, raken zijn voet aan. Om hulp.
Rechts van Jezus, dus links voor ons, zijn aan een soort tafel mensen met elkaar in gesprek, luisteren naar elkaar, iemand slaat z’n hand voor z’n hoofd – kennelijk hoort hij allemaal onzin – anderen hebben grote belangstelling voor wat daar ter sprake komt.
Ook vóór de tafel staan mensen te praten; een zeer weldoorvoede man met een rijke baret op zijn hoofd, met zijn handen op zijn rug, trekt daar de aandacht. Ook een man die bij hem staat lijkt me nogal ingenomen met zichzelf.
Niemand rond de tafel kijkt naar Jezus, en op één na kijkt niemand naar de ellendigen in het donker. Ze zijn te druk met zichzelf.
Naast de mensen aan tafel, rechts daarvan voor ons, zien we enkele leerlingen van Jezus. Ze kijken heel oplettend, onderzoekend, nauwelijks overtuigd van hem die zij volgen. Wie is die Jezus, wat gebeurt er toch met ons in zijn nabijheid?
De leerling die dichtbij Jezus staat, met kaal hoofd, baardje en wipneus – dat zal Petrus zijn. Hij houdt een moeder tegen die met haar kind op de arm energiek op Jezus toestapt. Om zegen van de Allerhoogste. Dat het deze kleine onder Gods hoede goed mag gaan in zijn of haar leven, al is zij, de moeder, zelf nog zo rijk en vol mogelijkheden.
Want dat is zij, dat zien we aan haar kleding en haar zelfbewuste tred.
Een andere moeder staat schuin achter de energieke, rijke vrouw. Zij is kromgebogen, en heeft een argwanende blik. Zij is de enige die kijkt naar de zieken aan de andere kant van Jezus. Herkent ze zichzelf in hen?
Ze kijkt niet naar Jezus. Heeft ze zo vaak al beloftes van zegen gehoord die gebroken werden, helpers gezocht die geen helpers waren?
Maar haar zoontje met zijn krullenkoppie, dat lopen kan, trekt moeder mee en wijst naar Jezus. Hij heeft het dóór: ‘dáár wil ik heen, mama, hou me niet tegen!’
En dan zien we nog de rijke jongeling op de grond zitten. Met zijn hand voor z’n mond weet hij niet meer wat hij moet zeggen.
Volmaakt wilde hij zijn in zijn doen en laten om het Koninkrijk van God binnen te kunnen. Nu kijkt hij naar het kind van de kordate moeder: die baby daar hoeft niets te doen, hij wordt naar Jezus gebracht, is helemaal passief – leeft helemaal van genade. Je uitsloven voor het koninkrijk van God is niet nodig, begrijpt de rijke jongeling nu. In je laten dragen – als het ware – zit een goddelijk geheim.
Ach, er is nog veel meer te zien, maar laten we ons nu concentreren op de figuur in het midden, op Jezus.
We herkennen hem aan zijn lange golvende haren en zijn witte gewaad tot op de grond.
Rembrandt heeft hem niet als tijdgenoot getekend, maar als persoon uit bijbelse tijden. Alle anderen zijn gekleed als Rembrandts tijdgenoten.
Hier en nu is een andere ‘eeuwigheidsdimensie’ aanwezig. Zoiets.
En als we nu goed naar Rembrandts Jezus kijken, als we de blik van deze Jezus volgen, dan weet ik eigenlijk niet óf Jezus wel kijkt en iets of iemand ziet.
Merkt hij de energieke moeder op, die op hem afstapt?
Mijn indruk is dat Jezus over haar heen kijkt. Of door haar heen.
Naar die weldoorvoede man? Of ook verder dan hem?
Het lijkt wel of Jezus zijn ogen toegeknepen heeft.   Hij lijkt wel afwezig.    Hij is zó … verstild.
Met zijn rechterhand nodigt Jezus de moeder uit, met zijn linkerhand lijkt hij de menigte te zegenen in Gods naam.
Maar kijken, spreken, zorgen, preken – dat doet hij niet. Jezus ís. Is.
Hij steekt uit boven alle anderen.
Eenzaam is hij in al dat zwarte, dat donkere om hem heen.
Maar om zijn hoofd heeft Rembrandt een stralenkrans getekend, als de zon.
Het licht dat van Jezus uitgaat maakt het donker minder donker.
Jezus lijkt lós te zijn van alles en iedereen om hem heen. Onthecht. Op zichzelf. Alsof hij hier de Opgestane is, de Christus, en niet die rabbi, die rondtrekkende leraar die zich door al die mensen laat storen en die in zijn doen en laten Gods koninkrijk nabij brengt.
Deze Jezus van Rembrandt … hij berispt Petrus niet; de ellendigen aan zijn linkerhand kijkt hij niet aan; hij mengt zich niet in het debat met de praters en denkers aan zijn rechterhand; hij buigt zich naar niemand toe; hij spreekt geen verlossende woorden; legt geen handen op; hij is alleen maar nabij.
Nodigend en zegenend nabij. Als de zon.
Misschien is dit wel genoeg. Zo. Voor ons ook die hem zoeken.
Genoeg. Dat Hij aanwezig is en wij ons kunnen toevertrouwen aan hem – in ons zingen, bidden, in de stilte van ophouden met streven en willen.
Zoals alleen al de nabijheid van een geliefde weldadig, rustgevend, helend kan zijn – ook, zelfs als hij of zij zich niet met ons bezighoudt.
Nee, een actieve Jezus, een zich met ons bemoeiende Christus – zo tekent Rembrandt Jezus hier niet. En daarmee brengt hij, Rembrandt, ons misschien wel heel dicht bij een geheim van het Koninkrijk van God.
Het ís nabij – en dat te geloven en daarop te vertrouwen, dat is – vaak – alles wat wij nodig hebben. En wat ons te doen staat, wat dat concreet is, dat merken we dan wel vanzelf.
Tot slot: een passende titel? Ik weet het niet goed. Misschien die regel uit ons slotlied, een gebed: wees Gij de zon van mijn bestaan, dan kan ik veilig verder gaan.
Amen