ds. Joost Röselaers (Amsterdam): ‘Verhaal van Kaïn en Abel’, n.a.v. Genesis 4: 1-16

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 22 mei 2019  *

ds. Joost Röselaers (Amsterdam)

Verhaal van Kaïn en Abel, n.a.v. Genesis 4: 1-16

Een Amsterdams gemeentelid probeert mij al jaren Amsterdamse woorden en uitdrukkingen te leren. Recentelijk leerde hij mij het woord Ponem.
‘Ponem’: dat is Amsterdamse straattaal en het is afkomstig uit het Jiddisch van de Joodse gemeenschap. Het betekent ‘gezicht’, gelaat.
En het is een verbastering van het Hebreeuwse woord voor gezicht: panim.
Een ‘geinponem’ wil zeggen: een lachebek, een grappenmaker. Als je het woord ‘ponem’ iets verbastert: dit is toch geen porem !
Of iets minder vriendelijk: ‘zal ik je even voor je ponem slaan?’

We zijn nog maar nauwelijks op weg in de bijbel, of de een slaat de ander voor zijn ponem.
Kaïn gunt zijn broer Abel het licht in de ogen niet en hij slaat hem letterlijk voor zijn ponem. Totdat Abel niet meer opstaat. De eerste moord is gepleegd. In de woorden van Bas Heijne: zie hier de eerste broedermoordenaar in onze joodse christelijke cultuur. Het woord ponem speelt in dit verhaal een belangrijke rol. En dan vooral in het tafereel dat ik zojuist voorlas.
God ziet niet het offer van Kaïn. Op dat moment, zo staat er dan, ontvlamde Kaïn. En zijn aangezicht viel. Zijn ponem viel, om het op z’n Amsterdams te zeggen.

Hij verbreekt het contact: met God en met zijn broer. God ziet het gebeuren en hij spreekt hem aan: ‘Waarom valt je aangezicht?’ Hij doet een beroep op zijn moraliteit. Hef jouw aangezicht! En doe toch het goede!

Daar zit een diepe waarheid in verscholen:
Om verantwoordelijk in het leven te staan, is het van belang dat wij ons aangezicht heffen. Dat wij de wereld zien. En de mensen om ons heen.
Nico ter Linden zegt dat treffend in zijn commentaar op de Bijbel: God keek naar Abel. Maar Kaïn keek niet met hem mee.

Kaïn zag alleen zijn eigen situatie. En hij zag niets van de ander. Hij had er ook geen behoefte aan, om iets van de ander te zien.
Hef jouw aangezicht! En doe toch het goede! In de verbondenheid met de mensen om ons heen ligt de verankering van onze ethiek.

Het is niet voor niets, dat in scènes uit gewelddadige films, waarbij twee (vaak) mannen tegenover elkaar staan, de een de ander louter door een blik kan ontwapenen.
En daarmee de strijd kan staken. Hem kan ontwapenen, door hem strak aan te kijken. Door zijn aangezicht tot hem te verheffen. Door de verbinding juist tot stand te brengen.

Maar ook in minder extreme situaties speelt dit principe een rol. Jongere generaties moeten niets hebben van oude mensen, zo wordt er gezegd: ze zijn alleen maar ouderwets en te langzaam. Maar onze grootmoeder is niet een typisch oud mens: daar zijn we zeer gehecht aan en daar zijn wij dol op.

We willen niet teveel Marokkanen in onze buurt. Maar die aardige Marokkaan van die winkel om de hoek, dat is een heel ander verhaal: want die is zo vriendelijk en meelevend. En zo ontstaat er contact: ook met mensen waar wij ogenschijnlijk minder mee hebben.

De spanningen tussen de broers in dit oerverhaal, dat zijn spanningen die er nog steeds zijn en die in onze tijd weer actueler zijn dat ooit.

Uit een gevoel van ‘niet gekend zijn’ trekken mensen zich terug in hun eigen groep. Hun eigen ‘bubble’. Zij laten hun aangezicht vallen ten opzichte van mensen die daar niet bij horen.

Ook sommige wereldleiders maken zich daar schuldig aan: zij laten hun aangezicht vallen voor eenieder die niet bij hun groep hoort. En zij maken hen tot een object zonder gezicht.
Aan de andere kant is het niet voor niets dat deze leiders zo’n sterke aantrekkingskracht hebben. Er zijn genoeg mensen die het gevoel hebben dat er nooit naar hen gekeken wordt. Die altijd voorbij worden gelopen. Die altijd terzijde worden geschoven. Je ziet hen dan op een gegeven moment afhaken, met alle consequenties van dien. Ze doen geen moeite meer om aansluiting te vinden. Om mee te doen. Want ze worden toch niet gezien. Ook deze groepen zijn ontvlambaar: als je niets meer te verliezen hebt, ben je tot gekke dingen in staat.

Wat kunnen we daar tegenover plaatsen? Ik moet denken aan een tekst uit Numeri, de zogenaamde aäronitische zegen, die vrijwel elke zondag klinkt aan het slot van een kerkdienst. Ook hier draait het om ponem, om aangezicht. Het is een prachtig stukje poëtische tekst.

“Moge de Eeuwige u zegenen en u beschermen,
moge de Eeuwige het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn,
moge de Eeuwige u zijn gelaat toewenden, en u vrede geven.”

Hetzelfde wordt op telkens net andere wijze gezegd: God, die zijn gelaat over ons laat schijnen. God, die ons zijn gelaat toewendt.
Daarmee is deze tekst het tegenbeeld van het verhaal van Kaïn en Abel. Daar wordt het contact opgezegd. Hier staat het juist centraal.

Dat is, wat eigenlijk telkens weer in de bijbelverhalen verteld wordt: dat mensen gezien en gekend worden  en daardoor het leven weer aankunnen.
Het volk van Israël bijvoorbeeld: de farao die zijn aangezicht van hen heeft afgewend. En die hen vervolgens gebruikt als dingen, als instrumenten. En de God van Israël, die juist zijn aangezicht over hen verheft en hen weer op weg helpt in het leven. En die hen perspectief biedt.

Jezus die de mensen ziet, van wie anderen het gezicht afwenden: de hoeren en de tollenaars, de blinden en de bezetenen. Hij ziet hen. Hij spreekt hen aan. En hij schenkt hen daarmee weer het leven. Telkens weer worden wij als mensen gezien en gekend en worden wij uitgenodigd om zelf in contact te treden met de ander om zo tot werkelijkheid te maken wat ons in de zegen wordt aangezegd: om elkaar genadig te zijn, en met elkaar de vrede te bewaren.
Juist in die verbondenheid ligt de kracht. Verhef je aangezicht! En doe het goede!

Zoals tegen Kaïn wordt gezegd. En zoals tegen ons gezegd aan het einde van de dienst: Op het moment dat wij deze kerk verlaten en dat wij de wereld weer tegemoet treden, krijgen we de belofte, dat, wat er ook gebeurt, wij ons bij God ten diepste gezien en gekend mogen weten.

Met alles wat er is in ons aan goeds en fraais, maar ook aan schaduw en kleinzieligheid. Dit besef rust ons toe om zelf ook de verbinding aan te gaan.

Mogen wij onze ponems naar elkaar toewenden.

Amen.