ds. Margriet van der Kooi-Dijkstra (Driebergen): “Ik had het me zo anders voorgesteld”, n.a.v. Jesaja 61: 1-2a en Mattheus 11: 2-11

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 12 december 2018  *

ds. Margriet van der Kooi-Dijkstra (Driebergen)

Ik had het me zo anders voorgesteld‘, n.a.v. Jesaja 61: 1-2a en Mattheus 11: 2-11

‘Onze voorganger heeft gezegd dat ik beter word,’ zegt de jonge vrouw in het bed. Ze ziet er zacht uit in haar roze pyjama met Hello Kitty erop. Ik werk in een ziekenhuis als ziekenhuispastor, ben bij haar op de zaal en blijk daar de andere patiënten te kennen. Behalve haar, dus heb ik me even voorgesteld en sta nog bij haar bed. ‘De gemeente heeft gebeden en onze voorganger heeft met mij gebeden. Ik moet geloof hebben als een mosterdzaadje, zei hij. De dokter zegt dat ik niet meer beter kan worden, maar onze voorganger zegt dat God geen ziekte wil. God wil dat ik genees.’
Wat zou ik het haar gunnen. Wisten we ook maar zo precies hoe het zit met de wil van God. En ging het dan maar zoals we denken dat Hij het wil.
Een van mijn favoriete Bijbelverhalen gaat over Johannes de Doper. Een jongeman, door God bestemd en geroepen om te vertellen dat Jezus degene is die Israël al eeuwen had verwacht als de komende Messias. Johannes is maar een half jaar ouder dan Jezus en nog maar net begonnen met zijn werk, waar hij zich zijn hele leven op heeft voorbereid, als er een dag komt waarop Johannes in de gevangenis terechtkomt. De koning Herodes is er met zijn eigen schoonzusje vandoor gegaan, Johannes had daar iets van gezegd: ‘Koning, zij is de vrouw van je broer, ze is niet van jou. Dit is niet goed in Gods ogen.’
Mensen, ook koningen, horen zulke dingen niet graag: dat moet toch kunnen en dat gaat toch alleen onszelf aan? Vandaar dat Johannes nu in de gevangenis zit.
We lezen dat deze man Gods het moeilijk krijgt in de gevangenis. Hij begint te twijfelen aan zijn roeping, aan wie Jezus nu werkelijk is. Twijfel is trouwens niet het goede woord: Johannes twijfelt niet aan God, maar wel aan hoe God is. We hebben een beter woord dan het moderne twijfel: Johannes wordt aangevochten. Want dat is het bij Johannes: hij had het zich zo anders voorgesteld. ‘Bent U het nou, Jezus, die we te verwachten hebben? Of hebben we een ander te verwachten? Bent U nu wel of niet de verwachte Messias?’ Die vraag laat hij aan Jezus stellen door zijn volgelingen.
Johannes krijgt ook antwoord op die vraag. Ik vind het een pijnlijk moeilijk antwoord. Misschien is het voor Johannes wel aanleiding geweest voor een nieuw gevecht met zichzelf. Voor nieuwe aanvechting. Het antwoord van Jezus is een citaat uit het boek Jesaja. Hij zegt de discipelen dat ze Johannes maar moeten vertellen wat ze zien gebeuren. Blinden worden ziende, lammen lopen, doven horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het evangelie verteld.
Geweldig. Dat zijn allemaal tekenen dat Jezus de Messias moet zijn, de profeet Jesaja staat daar vol van. Wij vatten dat vooral op als medische wonderen, weer kunnen zien, horen, lopen. Maar het is in de Oude Wereld nog veel meer: als je gehandicapt was, kon je niet in je eigen onderhoud voorzien, kon je alleen hopen op de hulp van anderen, of bedelen. Dan betekende doofheid, blindheid, kreupel zijn dat je in een sociaal isolement terecht kwam, zelfs in een bestaans-onzekerheid. Dus als aan Johannes verteld wordt wat mensen door Jezus zien gebeuren: blinden worden ziende, lammen wandelen, doven horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het goede nieuws verteld, zal Johannes daarvan opgehoord hebben: dat betekende wat!
Stukken uit Jesaja die Johannes op catechisatie waarschijnlijk uit zijn hoofd geleerd heeft. En daarom zal het hem ook opgevallen zijn dat er iets heel belangrijks mist in de opsomming van Jezus. Jezus slaat precies iets cruciaals over wat er voor Johannes het meest toe doet. ‘Je zult de Messias ook daaraan herkennen.’ had Jesaja gezegd, ‘dat Hij vrijlating voor gevangenen zal uitroepen en voor gebondenen opening van de gevangenis.’
Als er voor Johannes persoonlijk nu iets belangrijk was, was het precies dat dát gebeuren zou: opening van de gevangenis.
Het is niet gebeurd. Johannes heeft de gevangenis niet levend verlaten. Hij is op een schandelijke, verschrikkelijke manier omgebracht. Hij had het zich zo anders voorgesteld. ‘Zalig wie aan Mij geen aanstoot neemt’, zegt Jezus ook nog. Pijnlijk: Jezus nodigt ons dus uit om onze eigen verwachtingen en voorstellingen los te laten.
Geloof in God is dus toch iets anders dan precies weten wat God wil en op welke manier Hij de dingen zal doen. Christelijk geloof geeft geen antwoord op alle vragen. Het geeft alleen genoeg antwoord om het met die vragen uit te houden. Geloof in God, de Goede Herder, is iets anders dan geloof in wonderen.
Aan een gesprek over deze dingen was de jonge vrouw niet toe. Ik mocht niet dichterbij komen dan het aanhoren van haar mededeling. Ik hoop maar dat er goed voor haar gezorgd wordt in haar gemeente. Dat ze getroost wordt, dat er liefde is. Dat haar vertrouwen op God wordt aangemoedigd, en niet het vertrouwen om een groot geloof of wonderen. Daar heb ik te veel en te ernstige brokken van gezien. Misschien komt het bij een volgende opname wel tot een gesprek. Vandaag geef ik wat ze vraagt: voorzichtigheid en geen gerammel.
Zondag ga ik voor in de ziekenhuisdienst. Misschien is ze er. De verkondiging zal over Johannes gaan. Hij had het zich ook zo anders voorgesteld.

Amen

Reactie(1)

  1. Antwoord
    Elly de Jonge zegt

    Een wijze les die ik leren wil.