ds. Teus Prins (Aalsmeer): “De macht van het kleine”, n.a.v. Matteus 13: 1-3a en 31b-32

*  Alle-Dag-Kerk Amsterdam, Middagpauzedienst 24 juli 2019  *
ds. Teus Prins (Aalsmeer)

De macht van het kleine“, n.a.v. Matteus 13: 1-3a en 31b-32

Gemeente van onze Heer Jezus Christus!
Wanneer Jezus het over de komst van het koninkrijk van God heeft, valt het op dat hij dan telkens weer gebruik maakt van allerlei voorbeelden uit de natuur. Zoals dus het beeld van het zaadje van de mosterdplant.
“Dat koninkrijk van mijn Vader kun je wel vergelijken met een mosterdzaadje,” zegt Jezus.
“Een onóóglijker zaadje op aarde bestaat er niet. Maar wanneer zo’n piepklein zaadje eenmaal gezaaid is, groeit het uit tot de gróótste onder de planten, waarbij de vogels van de hemel in de takken komen nestelen.”

In het – voor ons mensen – schijnbaar onooglijk kleine blijkt dus iets heel gróóts ver­borgen te zijn.
Met als gevolg dat we – keer op keer – versteld kunnen staan door – wat wel eens treffend genoemd wordt -: de macht van het kleine.

In zijn spreken over het koninkrijk van God valt het verder ook op dat Jezus dan altijd heel simpele, eenvoudige woorden gebruikt. Dan is het eigenlijk wel wat vreemd dat veel mensen zich desondanks afvragen wàt een mens vandaag de dag met zo’n gelij­kenis nog aanmoet. Er dan gezegd wordt: Hèbben wij tegenwoordig nog wel wat aan zo’n vergelijking: van het koninkrijk van God met een nietig mosterdzaadje? Grenst zo’n uitspraak voor ons, mensen anno 2019, eigenlijk niet aan het absurde?

Wanneer dit gezegd wordt dan denk ik dat daarmee in feite Gods diepste bedoeling met de wereld ontkend wordt. Aangezien Jezus met de vergelijking van het koninkrijk van God met een mosterdzaadje namelijk duidelijk wil maken dat in die ònheilsge­schiedenis die deze wereld voor talloze mensen helaas is – dat Gods heilsgeschiede­nis daarin haar eigen en – en dat is heel belangrijk – daarin gelukkig vooral ook haar gestage gang gaat.
Met andere woorden: Jezus geeft aan dat mensen de schepping van God niet stuk kunnen maken.
En Jezus zegt dit niet omdat die schepping niet stuk zou kùnnen, maar Hij zegt dit omdat Gods liefde en trouw niet stuk kunnen. Hoewel het koninkrijk van God er in zijn volle gestalte nog niet is, zegt Jezus dat het tòch al aan ’t dóórbreken is. Wat Jezus kàn zeggen omdat Hijzèlf van ‘t dóórbreken van dat koninkrijk niet alleen het eerste maar ook het gróte teken is.
Àlles wat Jezus zegt en doet, zijn verhalen en zijn wonderen, de veranderingen die hij veroorzaakt in de levens van mensen: het zijn allemaal tekenen van Gods koninkrijk dat aan het dóórbreken is. Daarom is die vergelijking die Jezus geeft ook zo móói:
Gods koningsschap als dat allernietigste mosterdzaadje waarin een grote kiemkracht verborgen blijkt te zijn.
Echte grootheid is in de kern immers heel bescheiden,  is eenvoudig en onopvallend aanwezig.

Kijk wat dit betreft bijvoorbeeld maar eens naar grote kunstwerken, of naar belangrij­ke vredesinitiatieven. Die slechts tot stand konden komen dankzij mensen die zèlf geen enkele behoefte hadden om in de schijnwerpers te staan. Maar wèl mensen waren die beseften dat ze slechts hun opdracht uitvoerden, wat ze met grote liefde, volharding en geduld deden.

Ik denk dat ook wij, in die verbòrgen, maar zich stug doorzettende kiemkracht van het koninkrijk van God van God ook een táák gekregen hebben. Want wil de ge­meente van Christus kunnen uitgroeien tot een grote struik waarin de vogels van de hemel in de takken kunnen komen nestelen, dan is het nodig dat ook wij ons licht niet onder de korenmaat houden.
Maar, integendeel, ook wij onze gaven aanwenden ten behoeve van dat komende rijk van God.
Dat koninkrijk dat doorbreekt door middel van de verzamelde kleine dingen:
de graankorrel die in de aarde sterft, het mosterdzaadje, het gist.

Àllemaal beelden van het kleinschalige en het onverwachte.
Waarvan we de kracht evenwel niet moeten onderschatten.
Zo klein als een pùntje is een mosterdzaad.
Maar als die in een muurkier zit, zegt Karel Eykman, en dan langzaam tot een boom uitgroeit, dan toont die muur op den duur scheuren, waardoor uiteindelijk de hele vesting in elkaar zakt.

Zoiets kan zomaar gebeuren door een klein pokkenzaadje. Stelt zo’n zaadje nu niets voor? Ik zou zeggen: integendeel.
Wacht maar, je krijgt het vanzelf wel door. En dan weet je: klein kan veel.

Of neem het mespuntje zout in het brood: je kan niet zien waar het zit, maar het ver­schil is groot.
Zonder zout kan je ’t wel vergeten, zonder dat ietsiepietsie is er geen smaak, zoute­loos brood is gewoon niet te eten, dat moet opzouten, zo’n onsmakelijke, kwalijke zaak.

Er zijn in de wereld zo veel grote bekken met luid geschreeuw en een schorre keel.
Daar moet je je niets van aantrekken want je wéét het: het kleine kan veel.
Aldus Karel Eykman.

Zelf denk ik – wat dit betreft – dan aan die miljoenen kleine dingen die mensen, elke dag weer, vrijwillig doen. Op de buitenwereld komen ze dingen misschien zo klein als een mosterdzaadje over, maar – met Gods zegen – zijn het allemaal tekenen van de kiemkracht van het koninkrijk van God en dáárdoor de pràchtigste voorbeelden van: de màcht van het kleine.

Amen

Plaats een reactie