ds. Teus Prins (Aalsmeer): ‘Gods tatoeage’, n.a.v. Genesis 32: 25-27

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 18 juli 2018  *

Ds. Teus Prins (Aalsmeer)

Gods tatoeage‘, n.a.v. Genesis 32: 25-27

Gemeente van onze Heer Jezus Christus!
Ik weet niet wat u van een tattoo vindt, maar ik vind er niks aan. Het lijkt me geen fijne gedachte om je hele leven met zoiets als een schilderij op je lijf te lopen. Met daarop dan bijvoorbeeld de naam van iemand waarop je eens – in je vroegere leven – verliefd was maar die je – omdat je het uitmaakte – vervolgens nooit en te nimmer meer gezien hebt. Veel mensen denken dat ze met een tatoeage op hun lijf pas echt iemand zijn. Dat ze pas dàn echt origineel en vooral ook zichzèlf zijn.
Terwijl je echter nooit helemaal jezelf kunt zijn, alleen al omdat we – al naar gelang de omstandigheden en de mensen om je heen – steeds weer verschillende rollen hebben.
Waardoor het volgens de psychologie dan ook zo is dat je nooit echt helemaal goed kùnt weten wie of wat je zelf eigenlijk echt bènt.
We hoorden zojuist een gedeelte uit het Bijbelverhaal over Jakob. Wiens naam met zoveel woorden ‘hielenlichter’ betekent. Dit komt doordat, toen hij als twééde van een tweeling geboren werd, het verhaal de ronde deed dat hij in de buik van zijn moeder het hieltje van zijn broertje Esau vasthield: zodat hij deze bij de geboorte zou kunnen terùgtrekken om zelf als éérste geboren te kunnen worden. Want dat was héél belangrijk in die dagen aangezien in het oude Israël de eerstgeborene – maar dan natuurlijk wèl de eerstgeboren zóón! – de hóógste rechten met betrekking tot de erfenis had.
Maar omdat Esau dus als éérste geboren werd, bleek het voor Jakob nodig dat er een list verzonnen werd. Het verhaal is bekend: op zijn sterfbed wordt de oude, blinde vader Isaak bedrógen, doordat Jakob zich als Esau voordoet. Voor het geval zijn blinde vader hem betasten wil, heeft Jakob zich over z’n hals en handen met harige geitenvelletjes bekleed…
Zó verkrijgt Jakob die door hem zo begeerde zegen over de eerstgeborene.
Maar vervolgens echter óók de haat van Esau, die zó hevig is dat Isaak vluchten moet.
Naar het oosten: naar oom Laban, om dáár te wachten totdat de woede van Esau is overgegaan.
In de eerste de beste nacht dat Jakob onderweg is blijkt – in een dróóm – voor hem de hèmel open te gaan:
Jakob ziet in zijn droom dat er vanuit de hemel een ladder op de aarde neergezet wordt.
Langs die ladder verschijnen allemaal engelen, die òpstijgen en àfdalen.
Ze nemen – zou je kunnen zeggen – Jakobs angst mee naar boven om vervolgens met de troost van Gòd weer naar de aarde af te dalen. Wanneer Jakob wakker wordt, realiseert hij zich dat de plaats waarop hij deze droom heeft gehad, niet anders kan zijn dan……. het huis van God !
Daarom zet hij de steen die hij als zijn hoofdkussen heeft gebruikt, rechtòp, waarna hij deze plaats Beth-el noemt, wat betekent ‘huis van God’. Want dáár, op díe plek is voor Jakob in zijn droom God zèlf verschenen. Om de zegen die vader Isaak aan hem gegeven had te bevestigen.
Vanwege deze gebeurtenis doet Jakob een gelofte: “Indien God mèt mij zal zijn en Hij mij op de weg die ik ga, behoeden zal, als Hij mij brood zal geven om te eten en kleren om aan te trekken, en als ik dan behouden tot het huis van mijn vader zal terugkeren, dan zal de Heer mij tot een Gòd zijn.”
Dan trekt Jakob verder naar het Oosten.

Eenmaal bij oom Laban aangekomen zal hij daar Rachel ontmoeten: een herderinnetje zó mooi en zó vrolijk als je in dat héle gebied niet vinden kunt. Maar het blijkt net zo te gaan als in dat liedje van vroeger: ‘alle leuke jongens willen vrijen maar ’t stadhuis is er niet bij’… want Jakob moet van vader Laban maar liefst zeven jaar wachten, voordat hij met haar zal kunnen trouwen. Wanneer dan na zeven jaar de trouwdag aangebroken is, wordt in de nacht ná het bruiloftsfeest duidelijk dat Jakob niet met Ráchel, maar met haar oudere zus Lea getrouwd is. “Ja, jongen,” zegt vader Laban dan tegen een boze Jakob, “zo gáán die dingen hier nu eenmaal! Het is bij ons niet de gewoonte dat de jongste vóór de oudste het huis uitgaat. Sorry hoor: Lea is de oudste, die moet als éérste aan de man.”
Laban blijkt dezelfde gewiekste familietrekjes te hebben als Jakob.
Die nu op zijn beurt z’n trekken thuiskrijgt: hij blijkt zijn geliefde Rachel alleen op àfbetaling te kunnen krijgen, aangezien Jakob zich opnieuw voor zeven jaar aan Laban moet verbinden.
Maar goed, wanneer ook die tweede serie van zeven jaren voorbij is en Jakob dan zowel met Lea als met Rachel kinderen heeft gekregen, dan…..
Dan vindt hij het langzamerhand tijd geworden om naar z’n land terùg te gaan. Op de terugreis ziet Jakob onderweg Bethel liggen: de plaats waar hij – làng geleden – helemaal alléén het land verláten had. Als Jakob bij de Jabbok aankomt, dan bònkt het hart hem in de keel. Want hóe moet hij die ontmoeting met Esau nu toch aanpakken? Het lijkt hem het beste eerst maar eens een paar bóden naar Esau sturen, opdat die eens gaan kijken hoe deze tegenover een toekomstige ontmoeting met Jakob aankijkt… Wat al snel duidelijk wordt: als de boden terugkomen, zeggen ze tegen Jakob dat Esau hem rauw lust: “We zijn ons rot geschrokken: Esau komt eraan met maar liefst vierhonderd man!”
Dàn breekt bij Jakob het angstzweet uit… Goede raad is duur… hoewel: misschien eerst maar eens wat cadeautjes vooruitsturen. En wie weet zal een gebed tot God misschien ook kunnen helpen….
Voor het geval dit alles niet voldoet, maakt Jakob zich – net zoals Esau – óók op voor een geweldige strijd. In afwachting van de gebeurtenissen die komen, trekt Jakob zich terug voor de nacht……. waarin hij inderdaad overvallen wòrdt! En dan echter niet door de mannen van Esau, nee, hij wordt overvallen door… door één of andere vréémde man.. die met hem vechten wil.

Maar wie ontmoet Jakob eigenlijk? Met wie worstelt hij daar op die plek?
‘Een màn’ zegt het verhaal, maar het is donker en Jakob kan hem daarom niet duidelijk zien. Het heeft er trouwens veel van weg dat die vreemdeling zèlf helemaal niet gezien wìl worden.
Waarbij komt dat die vreemde vóór de dag aanbreekt ook weer wèg wil zijn.
Het zou daarom best kunnen zijn dat – zoals je wel eens hoort zeggen – Jakob met zijn ‘eigen’ vecht. Want inderdáád: wie vraagt zichzelf nu soms niet af: wie bèn ik eigenlijk? Met wie vècht ik eigenlijk? Is dit verhaal daarom ook niet het verhaal van ons allemáál?
Oftewel dat wij het hier bij de Jabbok, wijzelf het zijn die hier vechten?
Dat je wòrstelt: op het moment dat er iets in je leven gebeurt waardoor dit helemaal omvèr wordt gegooid? Je – van een bestaan in goed vertróuwen – ineens in onzekerheid of verdriet terechtkomt?
Waardoor je ontgóócheld raakt, ja bijna alle vertrouwen verliest?
Onze levens kunnen – voor ons gevoel – soms in twee delen uitéénvallen.
Waardoor je dan hoort zeggen: “Dat was toen mijn màn nog leefde,” of: “Dat was allemaal ná dat ongeluk.”
Vertrouwen en veiligheid die van het ene in het andere moment òmslaan in angst en onzekerheid.
En dan vraag je je af: Waarom bèn ik er? Wat móet ik nu? En dan gaat het altijd anders dan je verwacht. Dat vechten, dat worstelen met bijvoorbeeld vragen die jarenlang op de bodem van je ziel hebben liggen wachten… Nooit kwamen ze boven, vertroebeld als ze werden door de besognes van alledag en niet te vergeten vooral ook van alle nàcht.
Wat kunnen we soms worstelen op de grèns. Op die grens van verleden en toekomst: waar je leven òf vérder gaat, richting een bestemming waar je graag zijn wilt… òf dat dit een plek blijkt te zijn waar je gewoonweg niet meer verder kùnt. Zodat je er noodgedwongen dan dóórheen moet: jij met je héle hebben en houden….
Wat Jakob betreft is dit worstelen van hem vooral een zaak van goed vastgrijpen en met name ook vasthòuden. Met, niet te vergeten dan vooral ook dóórgaan….
“Want ik laat U niet gáán, tènzij U mij zegent,” zegt Jakob.
“Maar wie bènt U eigenlijk, hoe is uw náám? Zeg mij toch uw náám?” vraagt hij dringend. Maar de vreemde worstelaar weigert deze te geven.
Sterker nog: al worstelend wordt Jakob gedwongen te zeggen hoe hij heet, zodat daar, in die nacht ineens zijn naam klinkt: ik heet ‘Jakob’….
Daardoor komt dan ineens een heel léven aan het licht: “Ik heet hielenlichter, ik ben een tackelaar, een bedrieger.” Als Jakob dit zegt, wanneer hij zichzelf wérkelijk leert kènnen, mag hij vervolgens verdergaan: op weg naar het land van zijn verlàngen. Maar niet dan nadàt hij van deze vreemde tegenstrijder een mèrkteken krijgt, op zijn heup: als symbool van de blijvende liefde van degene met wie hij geworsteld heeft.
Eind goed, al goed, dus?
Nee, want Jakob loopt voortaan mank, waardoor hij niet langer meer de vóórdringer, niet de werker met de ellebogen maar de achteráánkomer, de laatste is geworden. Mank gaat hij de toekomst in, maar dan gelukkig wel voorzien van een nieuwe naam. Want Jakob zal voortaan Israël heten.
Zo gaat voor hèm – na een donkere nacht – de zon weer op. Omdat hij weliswaar met God en met mensen gewòrsteld heeft, maar daarbij ook stáánde is gebleven.

De HEER heeft mij namelijk gezien en, onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen…
Zo komt Hij steeds, met stille overmacht
en neemt voor lief mijn ònvermogen…

Wàt er ook gebeurt.

Amen.