ds. Tim Vreugdenhil: ‘Wat betekent voor ons de roeping van Samuël?’ n.a.v. 1 Samuël 3: 1-10 (NBV)

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 6 september 2017  *

Voorganger: ds. Tim Vreugdenhil, Amsterdam

Wat betekent voor ons de roeping van Samuël?’ n.a.v. 1 Samuël 3: 1-10 (NBV)

Het verhaal van de roeping van Samuël is voor mij een heel hoopvol verhaal. Hoopvol is om te beginnen: de herkenning.
Lang voordat God uit Jorwerd verdween, kon hij uit Silo verdwijnen. Silo is een tabernakel, een heiligdom, een ‘thin place’ zeggen we vandaag.
Maar daar zit het allemaal niet in. God laat zich er tenminste niet in vangen.
Zeker, de plek is er nog. Er is nog een fulltime priester. Men heeft het er nog wel eens óver God. Maar een woord vàn Hem?… Zeldzaam. Zeer zeldzaam. En visioenen? Dat de boel flink in beweging komt, buiten de kaders treedt? Dat al helemaal niet.

Van God wordt nauwelijks meer gehoord en al helemaal niks meer gezien. Het lijkt waarachtig Amsterdam wel! Ik ben Amsterdammer en trots op mijn stad. Je kunt hier een boel vinden. Daarom woon, werk en leef ik hier heel graag. Maar even onder ons: er zijn hier weinig woorden van de Heer. Geen visioenen.

Wat mij dan hoopvol maakt?
Nou, dat zoiets niet pas van ná de Tweede Wereldoorlog is. Niet typisch Westers. Ook niet typisch Amsterdams. Hoopvol vind ik dat ‘weinig God’ normaler is dan je denkt, in ieder geval veel vaker voorkomt. In de geschiedenis van Israël is Silo niet de uitzondering op de regel.
Veel vaker is er sprake van Godsverduistering dan van een laaiend Gods-vuur.

Hoopvol (want herkenbaar) vind ik de figuur van Eli. Eli staat voor ieder die er nog in gelooft. In God dus. In een tijd met weinig God. Dat doet iets met een mens. Eli is wellicht ooit een charismatische priester geweest.
Maar nu is hij oud en zijn ogen zijn dof. Hij valt bijna samen met zijn godslamp, die lamp die bijna uitwaait. Een stad en een tijd met weinig God zorgt voor Eli-kerken, Eli-achtige pioniers en Eli-achtige gelovigen.
Mensen die zó hard moeten werken om de
vlam van hun gemeente of hun project niet definitief uit te zien gaan, dat ze er heel moe van worden. Gelovigen met doffe ogen, ik ken ze. Soms ben ik het zelf. Ik kom op veel seculiere plekken waar veel energie zit. In kerkelijk Amsterdam is dat zeldzaam. Religieuze burnout bestaat, zegt 1 Samuël 3. Het is al heel oud. Het is overal waar de kern van de zaak in het gedrang komt. Waar God weinig laat horen en niets laat zien. ‘Op God heb je geen grip’, zegt dit verhaal. In Silo niet, in Amsterdam niet.
Hoe ingewikkeld ook, het maakt mij hoopvol. God zelf zal het zowel in Silo als in Amsterdam moeten doen.

Hoopvol vind ik het gepruts in dit verhaal. Het menselijke, al te menselijke. De oude Eli heeft kans gezien om zijn tabernakel-stagiair, leergierig en spiritueel, volstrekt niet in te wijden in het werkelijke geheim van het geloof: dat God op een dag zomaar tegen jóu kan spreken. Samuël is getraind in religieuze rituelen.
Hoe je de deur opent, de lamp aan- en uitdoet, de offers brengt.
Maar als er dan iets als ‘openbaring’ plaatsvindt, zegt hem dat helemaal niks. Hoe zal iemand horen zonder prediker, zonder leraar, schrijft Paulus later retorisch. Hoopvol is verder hoe die oude, in fysiek en spiritueel opzicht bepaald niet wakkere Eli bij de derde keer dan toch nog wakker wórdt. Dat is genade.
Toegepast op nu: er is geen gemeente of geen pionier of geen gelovige zo dof of kwijnend, dat ook God niet meer in staat zou zijn om het vuur aan te wakkeren.
We zijn één adem van Gods Geest verwijderd, van die woorden, van die visioenen.

Hoopvol is zeker de figuur van Samuël.
1 Samuël 3 is een verkiezingsverhaal van een millennial, zouden we vandaag zeggen. Iemand van een nieuwe generatie. Nooit iets meegekregen van geloof en God en zo. God kan op een dag zomaar tegen je gaan praten. Niet om wat je doet of wie je bent of om je spirituele antennes, die zo goed staan afgesteld.
Nee, gewoon. Omdat Hij wil. Samuël wordt er letterlijk wakker van. Wakkerder dan de priester Eli.
Ik kom in mijn werk veel wakkere mensen tegen die weinig van bijbel weten. Mensen die in ieder geval iets horen, iets zien, iets voelen.
Hoopvol is het dat Samuël een ander mens om raad vraagt.
Hoopvol dat hij niet bij de tweede of de derde keer denkt: ‘Ik zal me wel weer vergissen.’

Amsterdam zit vol met Samuëls. Mensen die iets horen en soms iets zien. Een stem in hun ziel, in hun hoofd, in hun hart.
‘We hebben heimwee naar de hemel,’ zingen Maarten van Roozendaal en Paul de Munnik. Naar een plek of een persoon van wie we het adres al jaren kwijt zijn.
Vele andere schrijvers, artiesten, zakenmensen en anderen zeggen het op hun manier. Wat nu, als er een Eli zou zijn, hoe oud of traag of dof ook?
Wat, als iemand tegen hen zou zeggen: “De volgende keer dat je iets hoort of ziet, zeg dan: ‘spreek Heer. Ik luister.’”
Als je Eli iets kwalijk mag nemen, is het dat hij niet zelf die beweging maakt. Nergens in de bijbel staat dat een mens gewoon op God moet wachten, punt.
De meeste bijbelse gebeden, de psalmen voorop, zijn geschreven voor een tijd van weinig God.
Je kunt het zelfs hier midden in Amsterdam bidden.
In de Kalverstraat of op de Dam. Zolang je Gods-lamp niet volledig uit is, of misschien juist dan. Je kunt altijd dit bidden: Spreek, Heer. Uw knecht luistert.
Eén van mijn hoogleraren schreef ooit de fraaie zin:
In theologisch perspectief is het onze bestemming om op Gods roepstem te antwoorden.
Ieders bestemming. Van Eli’s en Samuëls. Van millennials en babyboomers. Van wie wel en wie niet gelooft.

Jezus laat ons zien wat dat voor leven is. Ook Jezus hoorde op een dag een stem: ‘Jezus!’. Toen en daar bij de Jordaan zei hij niet tegen Johannes: “Zeg, was jij dat?”
God hoeft het daar ook geen drie keer te zeggen. Jezus antwoordt: “Spreek Vader, uw Zoon hoort.”
Jezus is de grote Eli en de ware Samuël in één. De priester die tegelijkertijd profeet is. Hij kent God, hij hoort God en hij ziet God. En daarin wijst hij anderen de weg. Tot en met zijn diepste woord, aan zijn discipel Filippus, die in zijn context-van-weinig-God zo vreselijk graag iets van de hemel wilde zien.
Wie mij heeft gezien, die heeft de Vader gezien. Wie mij hoort, hoort mijn Vader.
Daar krijgt de hemel een adres. Christenen hebben niet dat adres op zak, Goddank.

In de woorden van paus Franciscus: “Een christen is hij of zij die zich herinnert dat God, de Vader van Jezus, altijd op ons wacht, ook en juist als wij ver weg zijn van hem. Hij is nooit ver van ons. En als we ons tot hem keren (‘spreek Heer, uw knecht hoort!’), dan staat Hij klaar om ons te omhelzen.”

Dat kunnen de Samuëls en de Eli’s van deze stad niet vaak genoeg horen.
En dat geldt ook voor jou en mij.
Amen.

Tim Vreugdenhil (geb. 1975) is dominee en ondernemer. Hij werkt met zijn team aan het project CityKerk en is predikant met een bijzondere opdracht bij de Protestantse Kerk van Amsterdam. In het voorjaar van 2018 verschijnt zijn boek De blinddoek van Bowie. Zie ook www.citykerk.amsterdam