mgr.dr. Dick Schoon, Amsterdam: ’40 dagen op weg naar Pasen’ n.a.v. 2 Korinthe 6: 1-10

*  Alle-Dag-Kerk, Aswoensdag, 18 februari 2015  *

Voorganger: mgr.dr. Dick Schoon, Amsterdam

’40 dagen op weg naar Pasen’ n.a.v. 2 Korinthe 6: 1-10

Broeders en zusters,
Vorig jaar op aswoensdag mocht ik ook al uw voorganger in deze middagdienst zijn en om nu niet weer over de Bergrede te spreken (Matt. 6: 1-6, 16-21), de klassieke evangelielezing op deze dag, heb ik voor vandaag een stukje uit Paulus’ tweede brief aan de Korinthiërs gekozen. En waarom? Omdat de apostel in dat schriftgedeelte de christenen van Korinthe een levenshouding voorspiegelt, die ook ons, met name gedurende de veertig dagen voorbereidingstijd op het grote feest van Pasen, kan inspireren.

We hoorden de lange opsomming van – ja, waarvan eigenlijk? Het lijkt aanvankelijk een litanie van narigheid, die christenen treft. We horen over verdrukking, nood, benauwdheid, slagen, gevangenschap en nog wat van die dingen. Het waren blijkbaar de omstandigheden waarmee de Korinthiërs – zoals ook Paulus zelf – te maken hadden. Het is weliswaar niet bekend, dat de gemeente daar vervolgd werd zoals in andere delen van het Romeinse Rijk, maar je krijgt toch het idee dat ze het niet gemakkelijk hadden. Na de opsomming van die narigheid wordt de toon van Paulus anders en lijkt hij over te gaan op de gesteldheid die de christenen moet kenmerken. Want we horen nu over kennis, lankmoedigheid, rechtschapenheid, over heilige Geest, kracht van God, liefde en waarheid. En Paulus eindigt zijn woorden met wat ik zou noemen: paradoxen – schijnbare tegenstellingen: de christenen zijn verleiders, maar toch betrouwbaar; onbekend en toch bekend; stervend, en zie: wij leven; mishandeld, maar niet gedood; bedroefd en toch altijd blij; niets hebbend, maar toch alles bezittend.

Wat is nu de algehele teneur van deze tekst? Met de drieslag van narigheid, de gesteldheid van de christenen en de paradoxen schetst Paulus een beeld van de gemeente. Zij, de christenen van Korinthe tóen en wij nú, worden opgeroepen om dienaren van God te zijn; let wel: van de Heer God, de God van Israël, die zijn volk bevrijdt uit alle slavernij. En dat wil zeggen, dat we geen dienaren zijn van andere zaken die zich als goddelijk aan ons voordoen. Ik hoef u niet te vertellen welke machten invloed uitoefenen op ons dagelijkse gedrag. We profileren ons suf via de sociale media en staan voortdurend in contact met zogenaamde vrienden – maar staan we ook in contact met God, de bron van ons leven? We plannen onze agenda vol – althans: die neiging heb ik – en hebben af en toe dan nog nét even tijd voor een vakantietripje – maar maken we ook tijd voor God, om ons te binnen te brengen waartoe we eigenlijk leven?

Juist deze veertig dagen zijn ervoor bedoeld om opnieuw op het spoor te komen van het evangelie. Daar horen we over de opstanding die de dood overwint, de Christus die verlossing is komen brengen in deze wereld, in ons bestaan. Ik denk dat het deze grondovertuiging is, die maakt dat Paulus kan zeggen dat de Korinthiërs de narigheid die hen treft moeten verdragen. Niet dat ze zich maar passief moeten overgeven en geduldig hun lijden moeten aanvaarden, maar dat ze vanuit de kracht van het geloof weet hebben van een werkelijkheid die vervuld is van Gods goedheid. Vanuit dat besef kunnen ze in de moeilijke omstandigheden stand houden en weerstand bieden aan de afgoden van hun tijd. Voor de wereld lijken ze dan misschien op mensen die niets hebben; maar voor wie ingewijd is in de geheimen van het geloof bezitten ze alles, namelijk het burgerschap van Gods koninkrijk. Voor de wereld zijn zij misschien geen bekende Grieken en wij geen bekende Nederlanders; maar onze naam staat gegrift in de palm van Gods hand. Voor de wereld kunnen wij sterven, maar zie: wij leven voor God.

Onze weg naar Pasen is veertig dagen lang, net zoveel dagen als Jezus door de duivel beproefd werd in de woestijn en net zoveel jaren als het volk Israël op weg was naar het beloofde land. Het is een grote genade dat wij in deze tijd in dat voetspoor kunnen gaan, op weg naar de opstanding met Pasen. Moge onze voorbereiding dan gezegend worden.

Amen

Gebeden op aswoensdag.

Laten we in vrede bidden tot de Heer onze God.

Heer onze God, we danken u dat vandaag onze voorbereidingstijd op weg naar Pasen kunnen beginnen. Uw Zoon is ons voorgegaan in zijn beproeving in de woestijn en u hebt uw volk veertig jaar door de woestijn geleid op weg naar het beloofde land. Wees ook onze gids in deze dagen, dat we van ons afleggen wat ons afhoudt van uw liefde, van uw toekomst, en dat we ons met nieuwe moed richten op uw vrede.

Heer onze God, we bidden u voor mensen in onze wereld die het spoor bijster zijn. Voor diegenen die verblind door haat of afgunst in naam van u geweld plegen tegen hun medemensen, tegen hun naasten, tegen zichzelf. We bidden u voor jongeren in onze eigen samenleving, die geen andere weg zien dan die van geweld. En we bidden u voor de slachtoffers van aanslagen, in Parijs, in Kopenhagen, de koptische christenen in Egypte en Libië, voor al diegenen die in ons eigen land angstig geworden zijn, onze joodse medeburgers. Heer, zend uw geest van bekering in deze wereld, dat haat plaatsmaakt voor liefde, geweld voor dienstbetoon.

Heer onze God, we bidden u voor diegenen die u geroepen hebt om het evangelie te verkondigen, voor uw kerk in deze wereld, voor allen die door hun doop deel uitmaken van het lichaam van Christus. Dat zij opgewekte gelovigen mogen zijn, die vreugde en blijdschap om zich heen verspreiden en diegenen die op zoek zijn de weg mogen wijzen naar u.

Heer onze God, we bidden u voor diegenen om wie we zorgen hebben, familieleden, vrienden of kennissen die ziek zijn of problemen hebben. Voor diegenen die ondanks hun welstand eenzaam zijn, voor ouderen van wie de krachten van lichaam en geest afnemen, voor jongeren die hun weg in het leven nog moeten vinden. Heer, wees bij hen met uw geest die leiding geeft en kracht; dat ze weten dat hun namen geschreven staan in de palm van uw hand.

Heer onze God, we bidden u voor onszelf, midden in deze week. U kent ons hart beter dan wij onszelf kennen, voor u is geen geheim verborgen. In stilte danken we u voor al het goede dat we meemaken en we vragen om uw nabijheid bij ons …

Heer onze God, hoe zouden we iets van u, bron van alle leven, kunnen vragen dat u al niet wist? We bidden daarom tot u met de woorden die u ons zelf in uw Zoon hebt geleerd: Onze Vader …