mgr. dr. Dick Schoon (Amsterdam), “Jezus is Heer”, n.a.v. Romeinen 10: 8-13

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 13 maart 2019  *

Voorganger: mgr. dr. Dick Schoon (Amsterdam)

Jezus is Heer“, n.a.v. Romeinen 10: 8-13

Gemeente van Jezus Christus, het is al gewoonte dat ik hier bij u mag voorgaan aan het begin van de 40-dagentijd. Dat heeft tot gevolg dat ik meestal met u over de vastentijd nadenk en ik doe dat ook graag. Waarom? Omdat ik altijd het idee heb dat de vastentijd ons uitnodigt om kritisch naar ons leven te kijken, en dan nog meer: ons leven voor Gods aangezicht. Kan mijn manier van leven Gods goedkeuring wegdragen? Leef ik volgens zijn geboden? Doe ik recht aan de genade waarmee Hij mijn leven zegent? Als je zó de kritische vragen van de vastentijd opvat, snap je ook dat die tijd geen sombere tijd is, waarin je van alles niet mag, maar juist om met Paulus te spreken ‘de tijd van het welbehagen, de dag der zaligheid’ is, de tijd waarin je opnieuw tot de kern van je geloof komt en daar troost uit put, vreugde uithaalt, moed uit opdoet.

De lezing die we zojuist hoorden stond afgelopen zondag op het leesrooster van de kerk waarin in normaliter voorga. We hoorden daar dat de apostel Paulus aan de gemeente van Rome voorhoudt, dat het woord van God niet moeilijk of ver weg is, maar heel dichtbij, in ons hart en in onze mond. Een beetje bijbellezer weet dat die woorden uit de joodse bijbel komen, en wel uit het vijfde boek van Mozes, het boek Deuteronomium. U weet misschien: het volk Israël staat aan het einde van veertig jaar woestijn aan de grens van het beloofde land, klaar om Jordaan over te steken en het beloofde land in te trekken. Nog één keer vat Mozes die veertig jaar samen en alle geboden die die tocht mogelijk hebben gemaakt. Als straks het volk het land intrekt, komt het erop aan of ze zich aan die geboden houden en zich zo als Gods volk van het verbond zullen gedragen. Daar zegt Mozes dan: om dat woord te doen, om de geboden te houden, hoef je niet naar de hemel op te stijgen of de oceaan over te steken, nee: dat woord is in je hart en in je mond om het te doen. Je hart: dat is niet de rozerode zetel van onze emoties die wij er met Valentijnsdag zo graag van maken; nee, in de bijbel is je hart de plaats waar je intenties vandaan komen, waar je plant wat je je voorneemt en dat dan ook gaat doen. ‘Heb het lef niet,’ zeiden we vroeger als we iemand wilden aanraden iets niet te doen – en dat lef  is precies het hebreeuwse woord voor ‘hart’. En je mond, wat daaruit voortkomt, hangt ten nauwste samen met wat je in hart hebt beraamd. Want als je plannen slecht zijn, dan spreekt je mond ook leugentaal en ben je onbetrouwbaar; maar als je intenties zuiver zijn, is het woord in je mond dat ook. Is dat geen mooie aansporing voor de vastentijd, om intentie en uitvoering bij elkaar te houden en om ze beide zuiver te laten zijn, om ze een weerspiegeling te laten zijn van Gods goede bedoeling met zijn volk, met zijn verbond, met ons?

In onze lezing citeert Paulus dus eeuwen later die woorden van Mozes. Maar – goede farizeeëse schriftgeleerde die hij óók is – hij geeft er een draai aan door hart en mond met Christus te verbinden: als je mond belijdt dat Jezus de Heer is, en je in je hart gelooft dat God hem uit de doden heeft opgewekt, dan zal ook jij behouden worden. Paulus waagt het om niet langer het inachtnemen van de regels van de wet van Mozes, maar het geloof in Jezus als Heer als het fundament te beschouwen waarop de christelijke gemeente wordt gebouwd. Het oude onderscheid tussen joden en Grieken (dat wil zeggen: niet-joden) is hier opgeheven in de nieuwe belijdenis: Jezus is Heer.

Als je hier iets verder over nadenkt, gaat het je duizelen, want snap je de reikwijdte van wat Paulus hier zegt. Want met die titel ‘Heer’ wordt niet zomaar een meester of machthebber, koning of keizer aangeduid, maar hoor je de Godsnaam zelf: JHWH, Adonai, Kyrios, Heer. Wie of wat de Heer God is, die zijn volk uit Egypte bevrijdde, door de woestijn naar het beloofde land leidde en de geboden ten leven gaf – dat wordt duidelijk in Jezus die daarom Messias, Christus genoemd wordt, en de titel Heer  krijgt. Voor ons gemeente betekent dit, dat de Heer God in Jezus ons bestaan is komen delen, tot en met onze dood; en de keerzijde is dat hij ons in de opstanding van diezelfde Christus heeft getoond, dat ook wij geroepen worden om op te staan en de dood niet langer macht over ons te laten uitoefenen. De opheffing van het onderscheid tussen joden en niet-joden is er één, maar in Christus’ dood en verrijzenis wordt de grens overwonnen en leven alleen in Gods eeuwigheid. Zij toen, en wij nu: in die kortst mogelijke belijdenis is ons hele geloof verwoord: Jezus Christus is Heer, en wel tot glorie van God de Vader. Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal behouden worden. Zalig de mens die in dit vertrouwen kan leven!

 

 

Reacties zijn gesloten.