mw. Nan Sikkel-Wilschut (Badhoevedorp): ‘Mens, waar ben je?’ n.a.v. fragmenten uit Job 1 en 2, 38 en 42

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 31 juli 2019  *

Vooorganger: mw. Nan Sikkel-Wilschut (Badhoevedorp)

Thema: ‘Mens, waar ben je?‘ (n.a.v. fragmenten uit Job 1 en 2, 38 en 42)

Gemeente van Christus,
Het boek Job waar we uit lazen, is een heel oude tekst, ruim 3000 jaar. Een prachtig stuk wereld­literatuur. Proza en vooral poëzie van een hoog niveau. Vriend en vijand heeft het altijd weten te boeien.

Het is een krachtig verhaal over de meest prangende en moeilijke vraag van het mensenleven: het waarom van het onbegrepen en onrechtvaardige lijden van jezelf of van an­deren, dichtbij en ver weg. Het kwaad dat mensen kan treffen, zonder dat het een redelijke oorzaak heeft en de vraag naar de rol van God daarbij. Soms is er oneerlijk veel verdriet, waar mensen geen enkele invloed op hebben en dat treft ons in ons rechtvaardigheidsgevoel. Dat is dus niet nieuw, maar een oud Oosters thema: worstelen met de grote vragen van het menselijk bestaan en van de bestemming van de wereld. Onze tijd ziet de dingen niet voor het eerst.

Het verhaal begint mooi en goed. Het doet den­ken aan het scheppingsverhaal uit het boek Genesis. We lezen daarin dat er een prachtige tuin is waar het heerlijk toeven is, een paradijs! Maar er is in die lusthof ook iets aanwezig dat de boel grondig kan verstoren: een boom waar­van niet gegeten mag worden. Een tegengestel­de kracht, die de harmonie kapot kan maken. Aan de basis van de schepping waarin wij leven, ligt een onvolkomen toestand. En daar hebben wij mee te maken. In het verhaal van Job zien we ook die tegengestelde krachten: geluk en het diepste lijden. En de vragen die dat oproept over God en mens, worden gepresenteerd als een indrukwekkend levensverhaal.
Job is iemand die alles volgens het boekje doet. Er wordt verteld dat hij 10 kinderen heeft, hij is rijk, het gaat hem in alle opzichten voor de wind en wat nog veel belangrijker is: hij is een integer mens. Hij deugt, in alle opzichten. Dan komt Gods openbare aanklager Satan langs, de stem van het cynisme, de tegenkracht, en die horen we zeggen: ‘Job is een goed mens, omdat het leven hem toelacht. Haal zijn geluk weg en dan zal hij wel anders reageren.’ Dan wordt Job van alles beroofd: zijn 10 kinderen en al zijn bezittingen en we horen dat Job er opvallend kalm onder blijft.
Hij aanvaardt het. Hij is wel geslagen, maar niet gebroken. Als een tegenstem tegen het cynis­me horen we hem zeggen: “De Heer heeft ge­geven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.
Vervolgens wordt Job ook getroffen in zijn li­chaam. Hij wordt ernstig ziek. Zijn lijf zit onder de zweren en hij krabt zijn jeukende huid met een potscherf. Niet om aan te zien. Dan stelt Jobs vrouw voor om de moed op te geven. ‘’Vervloek God toch en sterf. Laat je geloof toch varen! Wat heb je eraan om in een onzichtbare God te geloven?” Maar Job weigert ook om haar te volgen in haar hopeloze cynisme.
Drie vrienden komen Job opzoeken en zien met eigen ogen wat hem is overkomen. Ze herken­nen hem bijna niet meer en gaan zwijgend naast hem zitten in warme solidariteit. Zeven dagen en zeven nachten houden ze dat vol. En dan neemt het verhaal een opvallende wending. Job gaat zelf spreken en daarna gaan ook zijn vrienden om beurten het woord voeren. De stijl verandert ook van Proza naar Poëzie. En als Job het woord neemt, dan doet hij wat zijn vrouw hem heeft aangeraden: Hij vervloekt zijn geboortedag en klaagt God aan om Zijn on­rechtvaardigheid. Hij stelt de grote ‘waarom-vragen’. Als het leven zoveel lijden met zich meebrengt, dan hoeft het voor Job allemaal niet meer. Hoe herkenbaar is dat! Job prijst de vrede van de dood waarnaar hij verlangt. Job stelt de vragen die een mens vaak stelt in zijn donkerste uren. Waarom nog leven als het zo akelig is? Job heeft een doodswens die hij met ons deelt. Er is iets gebeurd met Job, maar ook in Job.
Jobs vrienden komen om de beurt met een weerwoord. Ze zoeken een antwoord en alle drie suggereren ze dat er wel een reden zal zijn voor Jobs’ situatie. God straft toch geen onschuldige mensen? Zij verklaren zijn lijden, zoals vaak werd gedaan, met het beeld van een God van vergelding: God die het goede beloont en het kwade straft. Job wil daar niets van horen. Dat maakt hopeloze mensen alleen maar hope­lozer. Met zijn vrienden komt Job niet verder. Hij voelt zich door hen niet gekend en niet er­kend in de situatie waarin hij – zonder reden – is terechtgekomen. Hij heeft het helemaal ge­had met ze en met hun troosteloze betogen. Wat me is overkomen, is geen straf. Het is niet door mijn schuld. Ik weet het zeker. Kon ik God maar vinden, komen in zijn huis, dan zou ik met Hem spreken. Hij moet mij antwoord geven! Aan jullie woorden heb ik niets.” Job moet met God spreken.

De vragen rondom het onschuldig lijden dicht­bij en ver, zijn nooit verstomd. Het onbegrip tussen mensen, we herkennen het. De ‘waarom-­vragen’ we herkennen ze, en we hebben geen antwoord. Maar nu wordt het spannend. De stem van God gaat klinken. De Eeuwige neemt nu zelf het woord. Wat zal het antwoord zijn?
Maar God, de gans Andere, geeft helemaal geen antwoord. Er komen opnieuw vragen. God geeft geen antwoorden, maar stelt vragen. En alle registers worden opengetrokken. God gaat helemaal voorbij aan onze waarom-vragen. Hoor maar: “Was jij erbij, Job, toen de aarde werd gegrondvest? Heb jij ooit de morgen ont­boden? De dageraad zijn plaats gewezen? Ben jij in staat om de wolken te schikken? Kun jij, Job, de hemellichamen aan banden leggen? Er komen een eindeloos aantal vragen: over de wereld, over het leven en over de kosmos. Vragen over mythische oermonsters, die model staan voor het kwaad dat het leven grondig kan verstoren. God komt niet met antwoorden, maar beschrijft wat zich niet wil laten vangen.

En wat nu? Wat doet dat met een mens? Job, die God heeft uitgedaagd en aangeklaagd, ver­bitterd over zijn onterechte lijden, Job is over­donderd. Hij weet niets te zeggen. Maar wie wel? Job beseft dat hij deel uitmaakt van een immens groot geheel, waarvan hij het overzicht niet heeft. “Ik had slechts van u gehoord, nu heb ik met eigen ogen aanschouwd.” Hij ziet in dat als het er op aan komt, er alleen vragen zijn. Geen antwoorden. Of moeten we zeggen dat de vraag het antwoord is? En het is aan hem en ook aan ons om met deze vragen te leven. Iemand van buitenaf moest zijn wereld open­breken. Wij maken ook deel uit van dat immens grote geheel, dat wij niet kunnen overzien. Wij zijn niet het centrum van de wereld, al gedragen we ons dikwijls wel zo.
Is alles daarmee opgelost? Nee, niet opgelost. Het lijden wordt er niet minder van, het dient vaak nergens toe, het is geen deel van een hoger plan. Het is de tegen-kracht die hoort bij mens-zijn op aarde. Leven kan een gevecht zijn, ook een gevecht met God, maar je kunt verder als je gaat in het spoor van Christus. Hij kende als geen ander de godverlatenheid en stelde ook in het lijden de ‘waarom-vraag’. Maar ondanks alles bleef hij zijn vertrouwen stellen op God van wie hij geloofde: ‘Gods goedheid is te groot, voor het geluk alleen, het gaat in alle nood, door heel het leven heen.’

Leef dan het leven, met al zijn mooie en geluk­kige kanten en ook met de keerzijde daarvan. Het is aan ons om antwoord te geven op de vraag wie je bent voor God en wie God is voor jou. En dat is moeilijk genoeg. Daar ben je een leven lang mee bezig.
God geeft geen antwoord op onze vragen, maar Hij stelt ons een vraag: “Mens, waar ben je”?

Amen.

Plaats een reactie