prof.dr. Antoine Bodar (Amsterdam): ‘In blijde verwachting’, n.a.v. Lucas 1: 26-45

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 19 december 2018  *

prof.dr. Antoine Bodar (Amsterdam)

In blijde verwachting‘, n.a.v. Lucas 1: 26-45

Nabij is de Heer voor allen die Hem aanroepen, voor allen die Hem oprecht aanroepen.’ (Psalm 145: 18)
Dauwt hemelen uit den hoge en laten de wolken de Gerechte regenen. Laat de aarde zich openen en de Verlosser voortbrengen.‘ (Jesaja 45: 8)
Profeten hebben Hem aanschouwd. Zijn Moeder heeft Hem met onuitsprekelijke liefde in haar schoot gedragen. Hij Zelf ontsteekt in ons de vreugde toe te leven naar het mysterie van Zijn geboorte.
Dat vreugdevolle verwachten en verlangen naar Zijn komst tekent de Advent. Het is het uitzien naar de dag van Gods geboorte in het vlees, naar de dag van Gods wederkeer aan het einde der tijden, en naar Zijn hergeboorte in ons eigen hart.

‘Gij zijt aan de avond van de tijd
gedrongen door barmhartigheid
gedaald in maagdelijke schoot
om ons te redden van de dood.’
                         (Vesperhymne)

Met de komst van de Zoon Gods in het vlees om Zich te offeren voor ons — het ene offer voor altijd — is de tijd van brand- en zoenoffers, die volgens de Wet moesten worden opgedragen, voorbij.
Het Oude Verbond vindt zijn voltooiing in het Nieuwe Verbond.

‘Als Christus in de wereld komt, zegt Hij tot de Vader (cf. Psalm 40: 7-9): “Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid.“‘
Door toedoen van de Heilige Geest is Hij geboren uit de Maagd Maria.
‘Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen. Toen zei Ik: “Hier ben Ik. Zoals er in de boekrol over Mij geschreven staat. Ik ben gekomen, O God, om Uw wil te doen.” (Hebreeën 10: 5-7)
Zoals Maria haar fiat had gegeven aan de engel Gabriël (cf. Lucas 1: 38: ‘Fiat mihi secundum verbum tuum.‘), zo ook de Zoon Gods Die zij als kind heeft doen geboren worden.

Tweeërlei stelt de schrijver van de Hebreeën-brief (10: 9-10) vast:
‘Hij schaft dus het eerste [de vele offers] af om het tweede [het ene offer dat alle andere uit het verleden overbodig maakt] te laten gelden.’ ‘Door die wil [Jezus’ overgave aan de wil van de Vader] zijn wij geheiligd, eens en voor altijd, door het [ene] offer van het lichaam van Jezus Christus.’
‘De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze. Toen Zijn moeder Maria verloofd was met Josef, bleek zij, voordat ze gingen samenwonen, zwanger van de Heilige Geest.’ Aldus rechtvaardigt Matteüs de geslachtslijst van ‘Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham (1: 18.1).

Hoe is Maria in verwachting geraakt?
We leren Maria kennen, wanneer de engel Gabriël – van Godswege gestuurd – haar onderkomen in Nazareth betreedt en haar begroet (cf.Lucas 1: 26-28): ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer zij met u. Gij zijt de gezegende onder de vrouwen.’ Of (in andere vertaling): ‘Verheug u, begenadigde, de Heer zij met u.’ Maar waarom zou zij zich verheugen en waarom spreekt de engel haar aan als begenadigde?
De engel haalt de profeet Sefanja (3: 14) aan: ‘Jubel, dochter Sion en verheug  en verblijd u van ganser harte, dochter Jerusalem.’ Hij plaatst Maria in de traditie van haar eigen volk. Zij is de uitverkoren dochter van Israël, het kind uit het Joodse volk dat door God bij uitnemendheid wordt begenadigd.

Maria schrikt van dit onverwachte bezoek – niet omdat ze bang zou zijn, maar omdat ze de vreze Gods kent. En ze vraagt zich af wat deze begroeting kan betekenen. Maar de engel stelt haar gerust en zegt (cf. Lucas 1: 29-32): ‘Vrees niet, Maria, gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden en een Zoon ter wereld brengen. Gij zult Hem Jezus noemen. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste heten. God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David schenken.

Zo herinnert Gabriël aan de voorzegging door Jesaja (7: 14): ‘Zie, de maagd zal ontvangen en een Zoon baren. Zij zal Hem noemen Immanuel (God-met-ons).’ Tevens roept de engel in het geheugen terug de belofte van de profeet Natan aan koning David (2 Samuël 7: 12-13): ‘Als uw dagen voltooid zijn en gij bij uw vaderen rust, zal Ik de nazaat die gij verwekt hoog verheffen en zijn koningschap bestendig doen zijn. Hij zal voor Mijn naam een huis bouwen en Ik zal zijn koningstroon in stand houden voor altijd.

Overeenkomst tussen Maria en de vier vrouwen van de Joodse Bijbel — in de geslachtslijst van Matteüs genoemd — is dat geen van haar de vrucht in de schoot ontvangt van de wettelijke echtgenoot — niet bij Tamar, niet bij Rachab, niet bij Ruth, zelfs niet bij Batseba die immers van David in verwachting geraakte door verleiding of dwinging buiten haar eigen man.
Maria wordt bevrucht door de Heilige Geest en niet door haar man Josef.

Als nieuwe Rachab redt Maria haar volk door het geloof in Gods almacht. Als nieuwe Tamar voorkomt zij ondergang en uitsterving van haar volk.  Ruth zei tot Boaz (Ruth 2: 10.13): ‘Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat ge aan mij iets gelegen laat liggen? […] Ge hebt me moed gegeven en troostende woorden tot uw dienstmaagd gesproken.

En Maria (Lucas 1: 46-48): ‘Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugd juicht mijn geest om God mijn redder, daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid Zijner dienstmaagd.‘  Als nieuwe Batseba brengt zij een nieuwe Salomo ter wereld die, zoals hij eertijds, rechter is, maar nu rechter van de wereld. (Cf. Martin Mosebach, Haeresie der Formlosigkeit. Die römische Liturgie und ihr Feind (Wien 2002, 3., erweiterte Auflage 2003) 142.)

Schaart niet daarenboven Maria zich als Moeder en Maagd in de rij van door God begenadigde vrouwen als Sara en Hanna in de Joodse schriften? Deze beide vrouwen, onvruchtbaar, zijn door Gods genade vruchtbaar geworden. Niet minder ongewoon is hetgeen Maria overkomt. Zij wordt Moeder en blijft Maagd.
Maria bekroont als sterke vrouw de eerdere onder het Oude Verbond. Door Gods genade is zij beeld en voorbeeld van geschonken kracht, de sedes Sapientiae — de zetel (letterlijk) van de Wijsheid Die haar Zoon is, de Moeder Gods.
Zo vangt in haar en in haar schoot het Nieuwe Verbond aan.

Naar het Evangelie van Lucas (1: 39-45) bezoekt Maria haar nicht Elisabeth in het bergland van Juda. De zwangere Maria begroet de hoogzwangere Elisabeth die al in haar zesde maand was, toen zij zelf (Maria) door de Heilige Geest werd overschaduwd. (Vandaar dat de Moederkerk de geboorte van Johannes de Doper viert op 24 juni — een half jaar vóór de geboorte des Heren.)
De Maagd gebleven aanstaande Moeder Maria enerzijds en de onvruchtbaar gebleven Elisabeth die alsnog een kind zal baren anderzijds. ‘Want voor God is niets onmogelijk.’ (Lucas 1: 37)

‘Zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. En Elisabeth, vervuld van de Heilige Geest, riep met luide stem: “Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt? […] Zalig zij die heeft geloofd dat in vervulling gaat wat haar vanwege  de Heer is gezegd.”‘ (Lucas 1: 41-43,45)

Luisteren we naar het commentaar van de kerkvader Ambrosius op deze ontmoeting tussen de beide vrouwen (cf. Explanatio in Lucam II 19.22-23.26-27): Elisabeth hoorde de stem van Maria het eerst, maar Johannes bespeurde het eerst de genade. Zij hoorde in de orde van de natuur, hij sprong op in de kracht van het mysterie. Zij nam de aankomst van Maria waar, hij die van de Heer. De vrouw de komst van de vrouw, het kind die van het kind. Door een tweevoudig wonder profeteren de moeders door middel van de geest van haar kindjes.
Het kind (Johannes) sprong op, de moeder (Elisabeth) werd vervuld.  De moeder werd niet eerder vervuld dan de zoon, maar omdat de zoon was vervuld van de Heilige Geest, vervulde Hij ook de moeder.
Elisabeth wordt na de ontvangenis van Johannes vervuld van de Heilige Geest, Maria vóór de ontvangenis van Jezus naar het woord van Gabriël (Lucas 1: 35): ‘De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen.
Wat leren ons deze van blijde verwachting getuigende teksten?

Verwachten is verlangen en verlangen is reeds bidden.

Naar het voorbeeld van Jezus en Zijn moeder Maria worden wij opgeroepen niet de eigen wil te volgen maar die van God. Dat afzien van de eigen wil brengt de overgave aan Hem en zo het vertrouwen en aldus de geborgenheid in Hem die het geloof in ons versterkt en de hoop voedt die in ons leeft — juist in de donkere dagen vóór Kerstmis die heden niet alleen letterlijk donker zijn maar meer nog overdrachtelijk in een wereld die om vrede smeekt en reikhalzend uitziet naar de engelen die in de Kerstnacht het ‘Gloria in excelsis Deo et in terra pax hominibus bonae voluntatis‘ (Eer aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil) tot ons aller troost zullen aanheffen.

Reacties(2)

  1. Antwoord
    Ina deen zegt

    Fantastische mooie overdenking

  2. Antwoord
    Ina deen zegt

    Wat een prachtige overdenking.