ds. Marco Visser (Heemskerk) Thema: ‘Kuste hij mij maar…’, n.a.v. Hooglied 1

*  Alle-Dag-Kerk Amsterdam, Middagpauzedienst 17 oktober 2018  *

 Voorganger: Ds. Marco Visser (Heemskerk)

Thema: Kuste hij mij maar…, n.a.v. Hooglied 1

Ik wil vanmiddag met u wat poëzie lezen. Het begin van de gedichtencyclus, die in onze Bijbel genoteerd staat als het Hooglied. In het Hebreeuws: Lied der Liederen. Liefdesliedjes waarin het meisje en de jongen elkaar bezingen; het verlangen naar elkaar.
In onze huidige christelijke traditie is het Hooglied wat in een vergeethoekje geraakt. Er is wel een oude mystieke traditie waarin veel op het Hooglied is teruggegrepen. Denk ook aan de Matthäus Passion van Bach, waarin veel Hooglied geciteerd wordt. Daarin is de ge­liefde, de Bräutigam, natuurlijk Christus.
Maar dan te bedenken dat in het Jodendom dit Lied der Liederen elk jaar gelezen wordt, op een van de grote feesten nog wel: het is de feestrol voor Pesach, het Joodse Paasfeest. Elk jaar deze door en door aardse, zinnelijke, zelfs erotische liefdespoëzie. U moet maar eens nagaan wat dat doet met je denken, je taal, je geloven. Zo’n centrale rol voor dit Bijbelboek: daar kan ik echt jaloers op zijn.

I
Ik lees een gedeelte uit het eerste hoofdstuk, in een vertaling van Sytze de Vries.

Hooglied 1

1     Lied der liederen,   voor Salomo.
2     Kuste hij mij maar met de kussen van zijn mond!
⋅⋅⋅⋅⋅⋅Ja, jouw liefkozen is goed, beter dan wijn.

3    Om hun geur zijn jouw oliën goed,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅uitgegoten olie is jouw naam,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅daarom houden de meisjes van je.

4    Neem mij met je mee, laten wij ons haasten.
⋅⋅⋅⋅⋅⋅Al bracht de koning zelf mij in zijn vertrekken,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅blij en vrolijk zijn wij met jóu!
⋅⋅⋅⋅⋅⋅Wij roemen je liefkozen meer dan wijn.
⋅⋅⋅⋅⋅⋅Terecht houden ze van je.

5    Donker ben ik, én prachtig,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅dochters van Jeruzalem,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅als Kedars tenten,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅als Salomo’s tapijten.

6    Kijk mij er niet op aan dat ik donker ben,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅dat de zon mij verbrand heeft.
⋅⋅⋅⋅⋅⋅Mijn moeders zonen waren laaiend op me.
⋅⋅⋅⋅⋅⋅Ze lieten mij hun wijngaarden bewaken;
⋅⋅⋅⋅⋅⋅mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.

7    Vertel mij toch,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅jij die ik met heel mijn wezen bemin,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅waar laat jij [je kudde] weiden,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅waar laat jij rusten in de middag?
⋅⋅⋅⋅⋅⋅Want waarom zou ik als een gesluierde zijn
⋅⋅⋅⋅⋅⋅bij de kudden van jouw makkers?

8    – ‘Wanneer je het zelf niet weet,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅mooiste onder de vrouwen,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅volg dan het spoor van het vee,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅weid je geitjes
⋅⋅⋅⋅⋅⋅bij de verblijven van de herders!’

9          Met een merrie voor Farao’s wagen
            vergelijk ik jou, mijn vriendin.
10        Bekoorlijk zijn je wangen tussen de hangers,
            is je hals in de snoeren.
11        Gouden kettingen zullen we voor je maken,
            met parels van zilver.

16  Wat ben jij mooi, mijn lief,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅verrukkelijk zelfs;
⋅⋅⋅⋅⋅⋅bladerrijk is ons bed.

17  Cederbomen zijn de balken van ons huis,
⋅⋅⋅⋅⋅⋅cipressen zijn onze spanten.

En dit is de Bijbel… In dat zo eerbiedwaardige boek treffen we dus ook dit aan. Geen verheven theorieën, maar warmbloedige taal. Taal die je moet horen met al je zintuigen. Voortdurend gaat het over hoe het ruikt, hoe het smaakt, hoe het voelt…

Het lichaam krijgt alle ruimte. En, de vrouw krijgt alle ruimte. Het verhaal wordt eigenlijk helemaal vanuit het perspectief van het meisje verteld. De jongen komt wel aan het woord, maar pas in tweede instantie, in reactie op haar.

Al met al: uniek in het geheel van de Bijbel en uniek in de cultuur waarin de Bijbel ontstaan is, waarin mannen het toch zo helemaal voor het zeggen hebben. Wat in grote delen van de wereld nog steeds zo is…
Prachtig, hoe hier voluit de lof van het lichaam gezongen wordt.
Maar dan wel op een heel andere manier dan hoe het lichaam in onze eigen tijd in beeld komt. Seks ligt op straat. In elke reclame, in elk tijdschrift komt het lijf je tegemoet: borsten, billen, gespierde bovenlijven… als object, als verkoopartikel. Sex sells.

Terwijl anderzijds steeds meer duidelijk wordt wat de prijs daarvan is. Steeds vaker durven mensen hun verhaal te vertellen – vooral vrouwen – van hoe ze belaagd zijn, lastiggevallen, aangerand. Zo ingewikkeld is het tussen de mensen, als het over het lichaam gaat, en over seksualiteit…
In die spanning staan wij met z’n allen.

En temidden daarvan: het Hooglied. Dat zo heel anders zingt: zo lief, zo vol genegenheid, en zo vol echte gerichtheid op die ander… Een verademing. Dus, als er nu één ding is wat u vanuit deze korte dienst mee naar huis neemt, laat het dan zijn: zin om weer eens het Hooglied te lezen. Gauw naar huis allemaal, en het hele boekje hardop voor jezelf voorlezen…

II
Een paar opmerkingen bij de tekst nog. Maar voorzichtig, poëzie moet je niet kapotpraten…
Kuste hij mij maar met de kussen van zijn mond!

Het begint met het verlangen. Het is niet: Wat fijn toch dat ik jou heb. Nee, het is: wás je er maar! Ze strekt zich uit naar hem.

Dat doet me eraan denken wat een sterke emotie dat eigenlijk is: verlangen. Ik bedoel dat nu even in wijdere zin: niet alleen denkend aan de liefde, maar aan heel het leven. Het zou wel eens heel vruchtbaar kunnen zijn om wat vaker de vraag te stellen: waar verlang je nu eigenlijk echt naar? Het zou wel eens kunnen dat we vaak nogal voortkabbelen en het leven gewoon maar aannemen zoals het is, dat we bij het bestaande blijven staan, en niet leven vanuit verlangen. Verlangen is datgene waar je je naar uitstrekt, zo dat het je ergens, toch, hier en nu al – klein of groot – verándert.
Verlangen gaat tegen de feiten in. Verlangen neemt geen genoegen met hoe het ‘nu eenmaal’ is. Verlangen is dromen aan de realiteit voor bij.
De realiteit van het meisje hier is haar positie temidden van de mannen. De positie waarin anderen bepalen wat ze moet en niet moet. Onvrijheid.
    Mijn moeders zonen waren laaiend op me:
    ze lieten mij hun wijngaarden bewaken…
Haar realiteit is de realiteit van meisjes en vrouwen op zoveel plaatsen, ook vandaag. Waarom zou ik als een gesluierde zijn? vraagt ze dan nog; omdat mannen dat willen? (Actueel kantje in het verhaal…) En waarom zou ik de klussen moeten opknappen? Nee, ze neemt er geen genoegen mee.

Volg het spoor van het vee! Krijgt ze dan te horen… dan vind je hem wel! Hij is in de bergen met zijn kudde, je moet achter hem aan. Je moet zelf het initiatief nemen!
Het heeft iets van een klein verzet. Het is tegendraads. Tegen de beknellende verwachtingen van anderen in, moet zij haar eigen weg vinden.

III
En dan is hij daar ineens. Daadwerkelijk, of misschien alleen maar in haar gedachten, maar dat maakt niet uit… Ze hoort hem zeggen:
      Met een merrie voor Farao’s wagen
      vergelijk ik jou, mijn vriendin:
      bekoorlijk zijn je wangen tussen de hangers,
      is je hals in de snoeren.

Poëzie schildert met taal. Als je nu luistert met je ogen, wat zie je dan: een merrie voor Farao’s wagen… Kracht en gratie ineen. Spieren, glanzende vormen… De jongen versiert zijn meisje, letterlijk.

(Anderzijds, het is ook een vreemd beeld. Dat geldt trouwens wel voor meer beeldspraken in het Hooglied: dat het niet meer zo aansluit bij onze beeldtaal. Dat je je afvraagt: wat voor compliment is het precies, als je haar wordt vergeleken met een kudde geiten? Dat komt later in de tekst voor. Of zoals hier, als je wangen en je hals worden vergeleken met die van een paard?)
Maar, hier gebeurt nog iets. Hier wordt de wereld in orde getekend. Hier wordt de wereld op z’n kop gezet. Farao’s paarden en wagens staan namelijk overal elders in de Bijbel voor geweld. Het zijn de tanks van de Bijbel, het is oorlogstuig. Met zijn wagens en zijn paarden achtervolgt de Farao de gevluchte slaven van Israël. Overal in de Bijbel is het paard: slecht nieuws.
Maar nu niet meer. Nu is het alleen nog maar: schoonheid. O, mijn liefste, jij bent zo mooi, zo sterk, zo lenig, zo glad en glanzend als de merrie in de teugels… Hier is alle geweld weg. Alle oorlog en alle slavernij en elk vluchten… het bestaat niet meer. Er is alleen nog maar: jij.
De wereld wordt in orde gedroomd.

IV
Wat moeten wij met het Hooglied? We krijgen om te beginnen de taal van de liefde aangereikt, en dat is op zich al heerlijk. Maar meer nog: het maakt verlangen in ons wakker. Het tilt ons even boven de feiten uit, boven het bestaande uit. Wij krijgen weer voor ogen: een wereld die héél is. Waar geweld en angst geen plaats hebben. Nieuw bestaan. Leven in de sfeer van de liefde.