ds. Alex van Heusden: ‘Onbegonnen naam’, n.a.v. Psalm 8 vrij

*  Alle-Dag-Kerk, 1 oktober 2014  *

Voorganger: Ds. Alex van Heusden

‘Onbegonnen naam’, n.a.v. Psalm 8 (vrij)

Wie? Tot twee keer toe, in de eerste twee regels, horen we die vraag in Psalm 8, vrij. Wie? En in de laatste strofe horen we een uitbreiding van die vraag, ook twee keer. Wie jij?
Wie is die ‘wie’, wie is die ‘jij’ naar wie gevraagd wordt? Dat wordt niet ingevuld, dat wordt opengelaten. Die wie heeft een naam, maar die is ‘onbegonnen’ en ‘onnoembaar’. Onbegonnen – betekent dat ‘geen beginnen aan’? Of: het moet nog beginnen, met die naam. Maar hoe luidt die naam dan, die onnoembare naam? Dat valt niet te zeggen, als die naam onnoembaar is.

De oorspronkelijke Psalm 8, de Hebreeuwse tekst, begint met die naam, de vierletternaam, J-H-W-H, de naam van Israëls God, die in de Joodse traditie niet wordt uitgesproken – in die zin onnoembaar. JHWH onze Heer, / hoe machtig is uw naam op heel de aarde. Dat is geen vraag van de Psalmdichter, ook al staat er ‘hoe’ – maar dat is hier geen vragend voornaamwoord, dat is een uitroep. De dichter is zeker van zijn zaak. Hij weet dat zijn God machtig is ‘allerwegen op aarde’. Wie is zijn God? Die met die onnoembare naam, en als we proberen aan die naam inhoud te geven, zeggen we ‘Ik zal er zijn’, ‘Ik zal er zijn voor jou’, ‘Ik zal er zijn erbarmend, genadig, lankmoedig’, ‘Ik zal een vriend voor je zijn’, ‘Ik ben je bevrijder’.
In de bijbel heb je geen naam, maar ben je je naam. Het Hebreeuws heeft geen woord voor identiteit. Dus als je wilt weten wie iemand is, waar iemand voor staat en wat iemand te doen staat, vraag je hem naar zijn naam of haar naar haar naam. Volgens de bijbel zeg je niet veel, als je ‘god’ zegt of ‘god’ aanroept. Wie is ‘god’? In de bijbel wemelt het van de goden. Welke volg je, voor welke werp je je neer? Wat is ‘god’ in jouw leven?

In het eerste Bijbelboek, Genesis, staat een klein tafereel opgetekend over godenzonen die zich te goed doen aan de dochters der mensen (Genesis 6: 1-4). Hier hebben de bijbelschrijvers leentjebuur gespeeld bij de Griekse mythologie: de goden op de Olympus doen het veel liever met mensendochters dan met godinnen. Uit het verkeer tussen godenzonen en mensendochters, aldus de vertelling in Genesis, worden de reuzen geboren, nader getypeerd als ‘helden uit de voortijd’ en ‘mannen van naam’. Helden die met hun heldendaden de status van bovenmenselijke, half-goddelijke wezens verwerven en niet meer van deze wereld zijn: aan zulke heroën (herriemakers) vergapen zich de mensen en geven zij zich met huid en haar over; zulke giganten en megasterren, die een religieuze verering genieten, weerspiegelen de diepste aspiraties der mensen in hun even doodgewone als troosteloze bestaan. De bijbel heeft het niet op deze mythische helden, deze ‘goden’, wier ontzagwekkende fysieke kracht al gauw maatgevend wordt voor de menselijke verhoudingen: zij vestigen het recht van de sterkste op aarde.

Zou de dichter van Psalm 8 met deze vertelling voor ogen de regel hebben geschreven: Jij hebt hem bijna een god gemaakt? Bijna is niet helemaal. In Psalm 8, vrij staat het heel onbevangen: Godendochters zijn wij en zonen. Ja, maar enkel als wij doen waartoe wij bestemd zijn op deze aarde. Wat moeten wij dan doen? Wat we lezen in Psalm 8, vrij: En heel de aarde uitgespreid aan onze voeten / tot in de verste verten, / dat wij haar behoeden. Enkel als wij daar werk van maken, de aarde behoeden, herstellen, duurzaam maken, bewoonbaar voor meer en meer mensen, dan… Dan beginnen wij te beantwoorden aan die ‘onbegonnen naam onnoembaar’. En wie er schuilgaat achter die naam, of hij bestaat en hoe en waar – we weten het niet, we hebben zo vragen en twijfels. Jij – wie jij?

VOORBEDEN
Middagpauzedienst 1 oktober 2014

Als Gij bestaat,
besta in mensen.
Gij van het Grote Bevrijdingsverhaal,
van uitzicht op een beter leven voor allen, vroeger en nu,
beschaam ons toch niet –
en dat wij niet elkaar beschamen,
maar eerbiedigen en bemoedigen.

Voor hen die ontferming zoeken voor hun ziel,
die uitzien naar een nieuwe dag,
die vurig verlangen naar heelwording van deze wereld,
dat alles wat ziek is en verrot
in de betrekkingen tussen mensen, landen en volkeren
wordt genezen, geheeld;
dat wij, hoe onmachtig wij ons ook weten,
nieuwe mensen worden voor elkaar.

In schaduw van dood, verlangend naar vrede
bidden wij voor allen die ontheemd zijn, op de vlucht geslagen,
in oorlogsgebieden hun leven niet zeker:
voor uw mensen in Syrië en in Irak.

Voor uw mensen in Afrika,
in de greep van het verwoestende ebola-virus,
de allerarmsten opnieuw het zwaarst getroffen.

En dichtbij, zie hoe wij in onze rijke samenleving
zo dikwijls slordig omgaan met elkaar,
hoe de een de ander onverschillig laat,
daklozen, zwervers worden voorbijgelopen,
kinderen verwaarloosd,
oude mensen afgeschreven en weggestopt.

Dat wij oog en oor leren krijgen
voor al die mensen in onze samenleving
die niet mee kunnen, zich verloren voelen en diep eenzaam.

En voor al die asielzoekers en hun kinderen
die dreigen te worden uitgezet – om een humaan beleid.

Wat geschreven staat wordt in ons vervuld:
uit hun slavendienst riepen zij omhoog
en hij hoorde, zag, kende, daalde af.
Die van toen zijn wij, kreten van oudsher.
Die van toen zijt gij, onbesproken nieuw.
Gij begint met ons een volstrekte weg.
Doe aan ons gestand uw volstrekte woord.

Plaats een reactie