ds. Margriet van der Kooi-Dijkstra (Driebergen): ‘Wij verwachten een stad’ n.a.v. Hebreeën 11: 1-3 en 8-15

*  Alle-Dag Kerk, Middagpauzedienst 9 augustus 2017  *

Voorganger: Ds. Margriet van der Kooi-Dijkstra  (Driebergen)

Wij verwachten een stad‘ n.a.v. Hebreeën 11: 1-3 en 8-15

‘We are in the season of Hope’ zei president Obama een paar jaar geleden in een december-toespraak. Het NOS-journaal vertaalde laf: `Het loopt tegen de kerstdagen.’
Het bericht werd er ineens onbetekenend en plat door. Ik begreep de keus van de vertaler niet.
Obama bepaalde ons bij de tijd van het jaar, het seizoen van de hoop. Hoop. Dat is wat mensen nodig hebben. De politiek stopt het in programma’s, er worden boeken over geschreven, wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Het woord hangt in de lucht. Na de onverwachte uitslag van de Amerikaanse verkiezingen, na Brexit, na het Oekraïne-referendum in eigen land, sinds de politieke en maatschappelijke onrust wereldwijd bepalen onzekerheid, vrees en beven meer de stemming dan hoop.
Paul de Leeuw vroeg in een uitzending van zijn PuberKookshow aan zijn jonge publiek: ‘Denken jullie dat binnenkort de Derde Wereldoorlog uitbreekt?’ Alle 100 tieners staken het bordje ja  omhoog. De Leeuw schrok ervan: ‘Dat vind ik echt erg. Dat mag niet. Jullie moeten hoop hebben, je moet vertrouwen hebben in de toekomst!’ Hij begon er tijdens de uitzending een paar keer weer over. Maar hij vertelde hen niet waarom ze hoop zouden moeten hebben. Jongeren voelen goed aan dat het optimisme waarmee ze hun angsten moeten toedekken niet echt geruststelt. Want waarop en waarom zouden we hopen? En is hoop hetzelfde als positief of optimistisch zijn?

In zijn prachtige tekst over de Hoop roept Charles Péguy (1873 – 1914) het beeld op van de hoop die als klein meisje tussen haar twee grote zussen loopt, haast verloren tussen hun ruisende rokken. Tussen haar twee grote zussen Geloof en Liefde in lijkt het, of zij zich  laat voort-trekken. Maar wie goed kijkt, ziet dat het net andersom is; zij is het, die de twee grote zussen voorthelpt. Zij, het kleine meisje ‘Hoop’ geeft richting en moed. `Wat Mij het meest bij de mensen verbaast,’ laat Péguy God zeggen `is de hoop. De mensenkinderen, ze zien toch wat er in de wereld allemaal gebeurt. En toch geloven ze dat het morgen beter gaat. Ja, dat is wel het grootste wonder dat Ik gemaakt heb. Ik ben er Zelf ondersteboven van’.
Ik houd van dat <beeld>. Ik zie haar vaak lopen, sinds ik dit gedicht voor het eerst las: dat kleine meisje van de hoop. Sinds ik dit beeld van Péguy leerde kennen zie ik haar overal lopen, dat kleine meisje van de hoop, dat ‘met vies water toch haar bronnen van zuiver water maken kan’. Ik zie haar vaak rondgaan, sinds ik dit gedicht dertig jaar geleden voor het eerst las: dat kleine meisje van de hoop. Ze ritselt in de uniformen van twee Italiaanse politiemannen over wie ik een bericht in TROUW las. Er was de melding geweest van een zeer oud echtpaar, blijkbaar zo overgelaten aan zichzelf, dat de vrouw uit het niets was gaan gillen. Het verhaal ging dat de twee politiemannen binnenkwamen, de situatie aanzagen en zonder omhaal begonnen te kijken wat er in huis was aan voorraad, dat op het aanrecht zetten en een eenvoudige pastamaaltijd klaarmaakten. Ze dekten de tafel dekten en aten mee. Dat bracht rust en vrede.
Dat kleine meisje danst achter een jonge verpleegkundige aan, die op een heel vroege zomerochtend een patiënte op onze Palliatieve Unit wakker trof, en haar in een rolstoel naar de andere kant van de afdeling bracht. `Kom, laten we even samen gaan kijken, de zon gaat zo prachtig op vanmorgen’. `Ik weet helemaal niet of dat meisje gelovig is,’ zei mevrouw later op de dag tegen me, `ze heeft me heel goed gedaan. Dat ze op het idee kwam! Samen kijken naar een zonsopgang – het herinnerde me aan de trouw van God, die elke dag nieuw is. Ik voel weer hoop’.
Zij voelt weer hoop. Deze mevrouw leest haar Bijbeltje. Daardoor ziet ze meer dan alleen een mooie zonsopgang. Jeremia zit op de puinhopen van zijn verwoeste stad, Jeruzalem. De lijken van jonge mannen liggen in de straten, de burgers zijn weggevoerd, de tempel ligt in puin. Hoofdstukken lang klaagt Jeremia tegen God over wat er gebeurd is, hij heeft een Adres om zijn bitterheid tegen te uiten Het volk weggevoerd, de stad verwoest, de tempel in puin, lijken van jonge mannen liggen in de straten. Als Jeremia uitgeput van het huilen zijn ogen uitveegt, kijkt hij op. Het is ochtend geworden. De zon komt op. Dan zegt hij die woorden uit het boek Klaagliederen:

Klaagliederen 3: 21, 22 en 23
Telkens als ik mijn lot overdenk, ben ik diep terneergeslagen
Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast:
Genadig is de Heer, wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.
Elke morgen schenkt Hij nieuwe weldaden.- veelvuldig blijkt uw trouw!
Ik besef: mijn enig bezit is de Heer, al mijn hoop is op Hem gevestigd.
Goed is de Heer voor wie Hem zoekt en alles van Hem verwacht.

Hij vat moed en hoop: God is trouw.

Het geloof is de zekerheid dat de dingen die we verwachten, ook werkelijkheid zullen worden. Het is het bewijs van de dingen die wij nog niet zien, zegt de Hebreeënbrief ons voor. Het zijn de inleidende woorden op de beroemde passage over al die gelovigen, zoals Abraham, die de Stad verwachtten waarvan God de kunstenaar is. Abraham had het soort hoop dat met geloof in deze God te maken had, hoop dat het goed komt met deze wereld. Toch en toch.
Ik wens u toe dat u straks ook overal dat kleine meisje van de hoop ziet opduiken. En al die kleine tekenen van hoop zijn het kleingeld van de grote hoop waar Christenen van leven: dat wij een Stad verwachten, en dat God zelf garant staat voor de komst van die Stad.
Op de dag na de Amerikaanse verkiezingsuitslag ontvang ik een wanhopige mail van een vriend. `Waar gaat het met ons land heen, met de wereld, wat een verkwanseling van waarden, hoe kan ik leven met mensen die zover staan van wat ik onder christelijk leven versta,’ verzucht hij.
Ik voel de zorg om de toekomst ook. Ik kijk veel tv op deze dag. En daar is ze ineens, het kleine meisje van de hoop, in de gestalte van een zwarte man. Hij zegt verbindende woorden, roept op tot samenwerking en meedoen. En dan zegt hij met een glimlach: de zon is weer opgekomen. Ik weet niet of hij het met opzet zegt, hij heeft dat wel in huis. Hoe dan ook: hij herinnert mij aan de oude woorden van hoop die Jeremia lang geleden al voorgoed verbonden heeft aan het opgaan van de zon, teken van Gods trouw.

Plaats een reactie