ds. Sonja van der Meulen (Leiden): Waar is God? n.a.v. Exodus 17 : 1 – 7

*  Alle-Dag-Kerk Amsterdam, Middagpauzedienst 19 februari 2020  *

Voorganger: Ds. Sonja van der Meulen (Leiden)

Thema: Waar is God? n.a.v. Exodus 17 : 1 – 7

Met de enorme hoeveelheid water die er de afgelopen weken uit de lucht is gevallen, lijken de omstandigheden uit de tekst wel heel ver van ons bed. Zo droog, dat de Israëlieten bang zijn dat ze zullen omkomen van de dorst. Wij hebben eerder last van te veel dan van te weinig water. Maar ondanks dat verschil in omstandigheden is het verhaal van het volk in de woestijn herkenbaar, want net als veel verhalen in de bijbel gaat het meer om de manier waarop er wordt omgegaan met de dingen die gebeuren dan met welke dingen dat nu precies zijn.
Daar in de woestijn stelt het volk de vraag: Is de Heer nu in ons midden of niet? Het is een reactie op een heel herkenbare angst. Na de aanvankelijke euforie van het bevrijd zijn uit Egypte komt de angst als het tegenzit en het leven in de woestijn moeilijk is.

De tocht door de woestijn is een symbool voor de tocht die alle mensen individueel en collectief gaan door het leven. En soms valt dat bitter tegen. De omstandigheden zijn zwaar; in dit verhaal heten die zware omstandigheden dorst. De toekomst is onzeker; gaan ze het wel redden daar in die woestijn? Gaan wij het wel redden hier en nu? Ook nu komt het gevoel dat we het niet gaan redden soms onstuitbaar op: klimaatverandering, vluchtelingen, coronavirus, er is zoveel…

Als reactie op deze verlammende onzekerheid, deze angst voor de toekomst, gaan de Israëlieten klagen. Dat deden ze al eerder toen er geen eten was. Dan wordt verteld dat ze beginnen te verlangen naar vroeger, toen ze nog in Egypte waren. Ze waren er slaaf, maar ze hadden tenminste te eten. Dat verleden wordt ook steeds mooier: de vleespotten van Egypte. Ze zitten nu gevangen in het heden. Ze kunnen niet meer terug naar een verleden dat steeds ‘mooier’ wordt en de toekomst is onzeker. Ze zoeken iemand die ze de schuld kunnen geven. Iemand moet hier toch de oorzaak voor zijn. Mozes! En hij moet er dan ook wat aan doen, anders zullen ze hem stenigen. Nu zullen wij niet direct meer overgaan tot stenigen, maar herkenbaar is het wel. Wiens schuld is dit en wie moet er iets aan doen? De politiek, de overheid…

Die bijna verlammende angst voor de toekomst wordt verwoord in de vraag of God wel in ons midden is. Waar is God? Kunnen we nog wel rekenen op de goede toekomst die ons beloofd werd? Staan we er uiteindelijk toch niet alleen voor in een onverschillig heelal? Is het niet beter om alle hoop onmiddellijk te laten varen, want wie niets verwacht, kan ook niet teleurgesteld worden.
Ergens doet het volk hier in de woestijn mij denken aan de beweging van ‘geboorte-stakers’, jongeren die geen kinderen meer willen krijgen, omdat er geen toekomst is en ze hun potentiële kinderen dat niet aan willen doen. Het is onverantwoord en als er niets verandert, beginnen ze er niet aan. Ze zijn gevangen in de realiteit van het nu en dat is een hopeloze situatie. We kunnen niet terug naar vroeger, toen alles beter was en ook niet snel naar later, als alles beter zal zijn zijn of als er niets meer zal zijn, dat weten we nog niet. De vraag naar God is dan ook onmiddellijk een vraag naar de toekomst: is die er en hoe dan, waar kunnen we op rekenen? Heeft het wel zin wat wij hier en nu doen, of is klagen en een schuldige zoeken het enige wat we kunnen doen?

Maar met die vraag worstelde dus ook al dat volk in de woestijn. Het antwoord dat hier gegeven is, kan ons misschien een weg om te gaan laten zien. Mozes slaat met de staf op de rots. Met diezelfde staf heeft hij al eerder gezorgd dat in een hopeloze situatie zich toch een toekomst opende. Toen de Farao het volk niet wilde laten gaan en toen ze voor de Rode Zee stonden.
En hier wordt het opnieuw verteld: al lijkt de toekomst onmogelijk, stuit die op iets hards en definitief onmogelijks als een rots. Toch ontstaat er een doorgang, een weg om te gaan. In die harde steen zit water…

Zo trekt dat volk verder en verder, net als wij nu. Telkens overvalt ze ook weer die wanhoop, die vraag naar de toekomst en klagen ze weer. En toch gaat het verhaal ook telkens via soms de meest onverwachte wegen weer door, blijkt de toekomst er toch te zijn en is de weg begaanbaar.

Wordt van ons dan gevraagd om maar blindelings te vertrouwen dat God in ons midden is, dat er een toekomst is?

Nee, de problemen zijn reëel en de toekomst is onzeker. Maar dat is altijd zo geweest en we kunnen niet opgeven en de toekomst en daarmee ons heden afschrijven als hopeloos. Het is de bekende aan Luther toegeschreven uitspraak: ‘Als ik wist dat morgen de wereld zou vergaan, dan zou ik vandaag een appelboom planten.’

Daar ligt het begin van het antwoord op de vraag ‘Waar is God?’ Hij/zij/het/de toekomst is daar waar we het aandurven om erin te geloven en daarnaar te handelen. Om in de grootste onzekerheid en angst niet alleen te klagen, maar om iets te doen, al lijkt het nog zo klein en zinloos, al lijkt de rots nog zo solide, we vertrouwen op het water…

Amen