mgr. dr. Dick Schoon (Amsterdam): ‘Driekoningen – Gods openbaring’, n.a.v. Matteüs 2: 1–12

*  Alle-Dag-Kerk Amsterdam, Middagpauzedienst 8 januari 2020  *

mgr. dr. Dick Schoon (Amsterdam)

Driekoningen – Gods openbaring, n.a.v. Matteüs 2: 1–12

In de kerk van de eerste eeuwen vierde men het kerstfeest niet op 25 december, de midwinter­wende, maar op 6 januari, als het feest van Epifanie, de Openbaring van de Heer. En dat feest duurde niet één dag, maar werd – zoals alle goede dingen in drieën gaan – aan de hand van drie evangelieverhalen gevierd. Het eerst was het verhaal dat we zojuist hoorden, de komst van de wijzen uit het oosten naar Bethlehem; het tweede is het verhaal over de doop van Jezus in de Jordaan; en het derde was het feest van de bruiloft in Kana. In alle drie die verhalen openbaart Jezus Christus zich als Gods Verlosser die in deze wereld mens geworden is, ons bestaan heeft gedeeld. U begrijpt nu dat we met dat uitgebreide feest vandaag best nog Kerstmis kunnen vieren, ook al is het twee dagen na 6 januari, zijn alle kerstbomen wel weer zo’n beetje al uit het straatbeeld verdwenen en zijn alle trouwe kerke­lijke werkers een beetje aan het bijkomen van de drukte.

Vandaag dus die wijzen uit het oosten, ook wel Drie koningen genoemd. Maar waar hoorde u in het evangelie dat het er drie zijn? En waar hoorde u dat het om koningen ging? Wie zijn Bijbel kent,  weet misschien, dat Matteüs hier gegevens uit de oude bijbelse geschriften van Israël gebruikt. In Psalm 72 wordt gesproken over de koning naar Gods hart, die regeert niet met militaire macht, maar met recht en gerechtigheid: die opkomt voor armen en mensen redt. En in die psalm wordt dan ook gesproken over andere koningen die daar getuige van zijn en dan hun geschenken komen brengen: goud en wierook – mirre wordt daar niet ge­noemd. Datzelfde visioen van Gods gerechtigheid die met de komst van de rechtvaardige koning, de Messias, zal aanbreken, vind je bij de profeet Jesaja. Ook daar koningen die ge­schenken komen brengen en de Heer, de God van Israël in zijn Messias komen aanbidden.

Maar als Mattheüs deze teksten goed kende, waarom heeft hij die wijzen uit het oosten dan nu net geen koningen genoemd? Ik denk dat dat te maken heeft met wie er wel koning in dit verhaal zijn: we horen over koning Herodes, de feitelijke koning, die de angst om het hart slaat dat een concurrent hem van de troon zal stoten; en dat nieuwgeboren kind, dat door de wijzen als ‘koning der joden’ wordt begroet en aanbeden. De schrijver van het evan­gelie, Matteüs, confronteert ons zodoende meteen al met een tegenstelling tussen die feitelijke en de nieuwgeboren koning der joden, Herodes en Jezus. Wie zal bevrijding brengen?

Dat is niet een vraag van lang geleden, maar kan ook een vraag van ons zijn. Als wij ons ge­confronteerd zien met feitelijke machten en krachten die wij niet beheersen, waar wij aan onderdoor dreigen te gaan – en wie van ons kan zeggen dat hij of zij die ervaring nooit heeft? – waar vinden we dan antwoord, een weg naar bevrijding, verlichting van onze zorgen? De wijzen uit het oosten (of het nu koningen zijn of sterrengeleerden) buigen voor het kind in de kribbe, aanbidden de Messias, die zich in het vervolg van het evangelie zó klein en kwetsbaar zal opstellen, dat hij zijn leven zal geven als het grootste teken van zijn vertrouwen op zijn hemelse Vader. En dan, als aan het einde van het evangelieverhaal de drie vrouwen op weg gaan om het dode lichaam te zoeken, dán zal blijken dat dat derde geschenk van de wijzen van vandaag, de mirre, overbodig is, omdat Jezus niet dood is, maar leeft; alle machten die op de dood uit zijn, of het nu de macht van Herodes bij zijn geboorte, die van Pontius Pilatus en de religieuze leiders van alle andere tijden, of de machten die ons bedruk­ken en klein houden – al die machten zijn definitief overwonnen in de opstanding van Jezus.
Komt, laten wij aanbidden die Koning!

 

 

Plaats een reactie