dr. Paul Visser (Amsterdam): ‘Troost uit Opstanding’ n.a.v. 1 Thessalonicensen 4: 13-18

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 3 juni 2015  *

Voorganger: Dr. Paul Visser (Amsterdam)

Troost uit opstanding

Wij gaan lezen uit 1 Thessalonicensen 4: 13 t/m 18

Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren zoals zij die geen hoop hebben. Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf.
Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft
en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn. Troost elkaar met deze woorden.

Dat was wel heel mooi, daar in Thessalonica. In hoofdstuk 1 kun je het lezen. Er was geloof, overgave aan Gods genade in Christus. Er was liefde en op zo’n manier dat het zichtbaar werd in hun doen en laten. En met dat ze zo verbonden waren geraakt aan de levende God en Zijn liefde in hen leefde, was er ook hoop. Ja, dat het hier niet bij zou blijven, maar dat er toekomst in zat. In dat leven met Hem, in die liefde, die intussen was gaande gemaakt. Hoop op de toekomst, waarin het Koninkrijk van God volledig zou doorbreken. Waarin Christus zelf verschijnen zou en het met al die andere machten die ons er nu onder houden, gedaan zou zijn. Zo staat geschreven. Paulus zegt: “Ik dank voor jullie geloof, voor jullie liefde en voor de hoop.” Je zou kunnen zeggen ‘die mensen daar in Thessalonica, die leefden met een binnenpretje’, snap je? Dat hebben wij ook wel, bijvoorbeeld als ons iets moois te wachten staat, het duurt nog een aantal maanden, maar toch …

Zo tussen de bedrijven door denk je eraan, als je bijvoorbeeld op vakantie gaat. Nog een week of wat, natuurlijk, er moet nog van alles worden gedaan, maar intussen zit het ergens in je achterhoofd. Zo ook in Thessalonica. Die mensen hadden gewoon natuurlijk ook hun werk, die konden niet wegdromen. Maar tussen de bedrijven door hoopten ze op de toekomst die wacht. Mensen met een binnenpretje. Er was echter één probleem. Op een gegeven moment overleden er. En Christus was nog niet verschenen. En hoe moest dat nu? Wij denken misschien: ‘een domme vraag’, maar dat is het natuurlijk niet. Stel je voor: je staat bij een graf, het lichaam gaat de aarde in, wat is daar dan nog van te verwachten? Dat is geen domme vraag, dat is een logische vraag. Komt dat ooit terecht?

Zal hij of zij, van wie wij nu het lichaam in de aarde leggen, erbij zijn, als Hij komt? Geen domme vraag, een logische vraag. “Nou,” zegt Paulus, “ik kan je één ding verzekeren. Ze blijven niet achter. Zowaar God Jezus uit de doden heeft opgewekt en zij in Zijn dood begraven zijn, zullen ze ook met Hem opstaan. De opstanding van Jezus staat garant voor hun verrijzenis. Op het eerste gezicht is het voorbij. Maar bedenk je dat ze met Jezus gestorven zijn, in Hem zijn opgestaan en met Hem, als het ware, al in de hemel zijn gezet. Maak je daar dan maar geen zorgen over. Ze zijn in Gods hand, ze komen terecht. Nog veel sterker gezegd: ze zullen straks voorop lopen. Ze blijven niet achter. Nee, ze gaan voorop en wij, wij sluiten aan in de rij.” En dan zet hij het even heel mooi neer met, zoals dat heet, ‘apocalyptische taal’, dat is beeldende taal. Dat is niet bedoeld om heel letterlijk te lezen. Maar tegelijk wordt er wel iets geweldigs in gezegd.
“Want,” zegt hij dan, “zo meteen – stel je voor – de bazuin, een roep, en dan zal Hij verschijnen, de opgestane Heer. In macht en majesteit, met Zijn overwinning.” Het doet denken aan een koning, toen in die dagen. Als die een overwinning had behaald, werd die ingehaald. En als die eraan kwam, nadat de slag was geslagen en de strijd was gestreden, dan liep het volk uit, de koning tegemoet. En gingen ze samen de overwinning vieren. “Nou zoiets, zo zal het zijn,” schrijft Paulus in beeldende taal. “En met dat Hij verschijnt, staan wij en zij die ontslapen zijn, op; zij lopen voorop. En de nog levenden, zullen volgen, de Heer tegemoet in de lucht, op de wolken.” Die wolken zijn geen regenwolken, dat zijn in dit geval, ja, hetzelfde als die wolk op Hemelvaart.

Iets van de heerlijkheid van God, een triomfwagen van de Almachtige. Je hoeft niet eens te lopen, stap maar in! En Hij, Hij komt eraan en daar ontmoeten wij elkaar. In de lucht; de lucht, in de Bijbel is dat het beeld van de machten. De machten die heersen, die het op deze aarde voor het zeggen hebben. Nou, op die dag zal het met die machten gedaan zijn. De lucht wordt gevuld met de overwinning van Christus. Al die machten moeten blijkbaar het veld ruimen, er blijft er geen één meer over. Prachtige symboliek. Nou, zoiets, zó zal het zijn, daar kun je op rekenen, daar kun je op wachten. En dan, ja, met dat de lucht gezuiverd is van de machten, wordt het hemel op aarde: we zullen altijd met de Heer zijn. Al het Zijne zal het onze wezen. We zullen delen in Zijn rijkdom.
Prachtig, wat een toekomst! Om naar uit te kijken, om op te hopen. Om blij van te worden, tussen de bedrijven door. Een binnenpretje, natuurlijk, zeker. “Troost elkaar met deze woorden,” zo
staat er dan. Ja, dat heb je wel nodig, als je een geliefde hebt verloren, toch? Want wat kan het hard aankomen! Die, van wie je zoveel hield, die blaast de laatste adem uit. Dat lieve lichaam moet je begraven in een graf. Wat blijft er nog van over? Daar is toch niks meer van te verwachten? “Voorbij,” zeggen wij, “het is voorbij.” “Nee,” zegt Paulus, “het moet nog beginnen, reken maar. Voor hem, voor haar, en jij d’r bij. Als je van Hem bent, Hij brengt ons terecht.” Nee, dat is geen goedkope troost. Er staat hier: “opdat je niet zou huilen als de anderen.”
Je huilt dus wel, nou en of, tranen te over.
En juist als je niet alleen maar in liefde met elkaar verbonden was, ook in geloof alles met elkaar had, wat kan het gemis dan intens zijn. Immens, zó
diep dat het bijna niet te harden is. Vasalis dichtte het zo:

Zoveel soorten van verdriet,
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo’n pijn,
maar het afgesneden zijn.

En Ida Gerhardt verwoordde het heimwee dat daarbij hoort:

Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.
Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan –
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Wat een heimwee, het verteert je soms, het verlamt je. Troost elkaar met deze woorden, midden in de tranen. Het is niet voorbij. Hij komt. En met dat Hij komt, gaan we de overwinning vieren.
Die heenging samen met mij. Ik hoef niet eens zeven maal om de aarde te gaan, ik mag wachten op de bazuin, de roep. En dan, dan gaan we zomaar op de wolken, in die triomfwagens van God, opgehaald door Hemzelf, de Heer tegemoet in de lucht. Zo mag je het je indenken, voorstellen. Prachtig! Troost elkaar! Hou dat beeld maar vast! Daar gaat het naartoe. Nog een dag of wat, een jaar of wat. Maar het zit eraan te komen. Huilen, we blijven het doen, maar niet als de anderen, die geen hoop hebben. Jawel, er wordt heel wat afgehoopt. Ik denk nog even, toen, een heel aantal jaren geleden intussen. André Hazes, u weet het wel, z’n kist stond op de stip in de Arena. En iedereen wist het zeker: ‘André is erbij, met een biertje en al.’ Waar de mensen het vandaan halen? Nou ja, als je niks gelooft, ga je blijkbaar alles geloven. Troost elkaar met deze woorden. Dit is niet uit de lucht gegrepen. Dit wordt van hogerhand je aangereikt. ’t Is bezegeld met het bloed van Jezus en Zijn opstanding is de garantie, reken maar. Weet je? Dan eindigt het met een lied.

Psalm 4 begint te zingen. Ik kan gaan slapen, misschien huilend van heimwee. Maar toch zonder zorgen, want slapend kom ik bij U thuis. Alleen bij U ben ik geborgen. Gij doet mij rusten tot de morgen en wonen in een veilig huis.
Amen.

Reactie ( 1 )

  1. Beantwoorden
    Hanny van Asperen says:

    Geweldig,sta op en ga naar bed met Paul Visser…. heerlijk om naar hem te luisteren.. Nee, geen grapje ,,,,,,,,,,,
    Zijn lezingen natuurlijk ,,,,,, op mijn telefoon,,,, hoop dat vele mensen er vruchten van mogen plukken,,,, dankjewel Paul!!!

Plaats een reactie