dr. Ciska Stark: ‘Geen blijvende tent’, n.a.v. Matteüs 17: 1-8

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 18 mei 2016  *

Voorganger: dr. Ciska Stark, Lexmond

‘Geen blijvende tent’, n.a.v. Matteüs 17: 1-8

Voor sommigen, misschien wel voor uzelf, is geloven, christen zijn, een levenshouding. Het is de grondslag, basisoriëntatie van je leven. Zoals het dak hier door spanten gedragen wordt, sommige zichtbaar, sommige vrijwel onzichtbaar, zo houdt het besef dat God jouw leven kent en omvat je gaande.
Tegelijkertijd is geloof ook iets van tijd en plaats, van momentopnames. Scharniermomenten in het leven, en daar verwijzen mensen soms ook naar: toen en toen heb ik mijn geloof gevonden, of… toen dat gebeurde ben ik het voorgoed kwijtgeraakt.
Het is een zegen als je betekenisvolle momenten meemaakt waarop er iets van Gods glans over jouw leven valt. Zoals de man die achter de ambulance met zijn geliefde erin naar het ziekenhuis rijdt: vol zorg, opeens ontwaart hij een lichtglans en kan het achteraf niet anders omschrijven dan als een engel, of misschien wel Jezus zelf. Het gaf hem rust, vertrouwen, voor het moment en voor wat er nog zou komen.

Een momentopname, dat is ook de ervaring van de leerlingen van Jezus. Topervaring. Ontmoeting voor ingewijden. Klein groepje – zoals wij hier – even afgezonderd van de buitenwereld. Petrus, Jakobus en Johannes zijn de bevoorrechten, zij zien Jezus als de verheerlijkte Christus, dat wil zeggen Jezus die hier niet alleen hun leraar, rabbi en vriend is, maar Jezus door God zelf gegeven, aangewezen en in het licht gesteld.
Nooit zullen ze dit vergeten, wat er ook gebeurt, dit blijft hen bij. Hoe ver die berg straks weer uit het zicht zal raken, hoezeer ze zullen verloochenen, hem in de loop van hun leven kwijtraken, hier zijn ze aangeraakt.
Het kan niet toevallig zijn maar drie keer schrijft Matteüs retrospectief, na Pasen, na Pinksteren, over die bijzondere uitstraling en presentie van Jezus, ervaringen van het goddelijke, en die drie momenten hebben iets met elkaar. Vingerwijzingen over wie Hij is.

De eerste keer is in hoofdstuk 14, waar de leerlingen ’s nachts op het water zijn en alleen maar duisternis en tegenwind ervaren. Zij zijn overgeleverd aan de elementen. Zoals een mens zich kan voelen, ‘als alles duister is.’ En als zij dan een lichtglans op het water zien, dan vertrouwen ze het niet en raken in paniek: een spook! Want godservaring is allereerst ook vervreemdend, angstig. Maar de stem die ze horen is van de Heer en die zegt: wees niet bang, en hij nodigt Petrus uit om over zijn eigen angst heen te stappen in zich toe te vertrouwen, ook al is het water nog even donker en diep. Wees niet bang, zegt Jezus en Petrus staat op en loopt over water. ‘Ik had nooit gedacht dat ik dit kon’, zegt een mens, ‘maar God gaf me kracht‘. Dat is geen overmoed, maar overgave. Vertrouwen op wat je gegeven wordt, aangereikt vanuit Gods licht.

Het tweede moment van Jezus’ bijzondere presentie horen we hier op de berg, waar het kleine groepje Hem niet ervaart als spook, maar als mens zó dicht bij God, dat goddelijk licht van hem afstraalt. En niet voor niets is het op een berg en niet voor niets zijn daar dan Mozes en Elia, die als het ware de hele bijbel belichamen. Want Jezus valt niet te volgen zonder de weg van Mozes en de 10 geboden, maar ook niet zonder het vuur van Elia. Anders dan in de nacht op het water, is het nu niet de strijd tegen de elementen die centraal staat, maar met Mozes en Elia de strijd tegen de zuigende machten die mensen in slavernij houden en de Baäls, de afgoden van deze tijd. Ik had nooit gedacht dat ik die weg zou gaan, zei Mozes en ik had nooit gedacht dat ik toch weer zou opstaan uit mijn moedeloosheid, zei Elia, maar God gaf me kracht. Even in de kracht van God.

Het is een topervaring op de berg. Even valt alles samen, de weg van Mozes en Elia, van Jezus en de leerlingen. Petrus blijft er bijna in. Hij wil het vasthouden. Maar de tenten zijn niet nodig, want een visioen, een visie is geen verblijfplaats, maar een wenkend perspectief.
En opnieuw zijn de leerlingen bang, ‘ze werpen zich neer’. En net als toen in die nacht op het water, klinkt weer die stem: vrees niet! Wees niet bang, sta op! En Jezus helpt hen overeind. Steeds weer, Hij, de opgestane Heer deed in zijn hele leven niets anders dan anderen opheffen, uit hun misère en uit hun doodse dalen.

Op dat moment is het voorbij. Even hebben ze geproefd aan de heerlijkheid van de Heer. Even, zoals je even kunt genieten van de warmte van de zon. Even, tijdens het zingen en je voelt dit is meer dan een lied, dit ben ikzelf die zing, maar het wordt me gegeven, ik word boven mezelf uitgetild, even weten dat je geliefd bent en dat je met opgeheven hoofd de toekomst tegemoet gaat, kome wat komt. Even misschien zelfs in Jezus geloven.

Maar als de laatste tonen van de verheerlijking hebben geklonken en het doek als het ware is neergedaald, dan dalen de leerlingen af en voegen zich weer bij de mensenmassa. Zoals je kunt hebben als je uit de kerk komt, hier naar buiten gaat en je staat weer midden in het leven en je denkt: wat blijft er van over? Zelf heb je weer even je roeping en bestemming geproefd. Maar thuis is er niks veranderd. In het dal is alles hetzelfde gebleven.
En ze zijn nog niet beneden of een man komt naar Jezus toe: help, mijn zoon is ziek en jouw leerlingen konden hem niet beter maken. Au, hun geloof is te klein. Het leven in het dal kenmerkt zich door frustratie, machteloosheid, ziekte die voortschrijdt, werk wat niet wil.
Het is bizar maar zelfs in het platte polderland kennen we uitdrukkingen van het dal, misschien past ook ons christelijk geloof hier in de polder zich wel aan bij het laagland, geloven doen we soms ook onder NAP. Geloven in het dal, daar hadden de leerlingen van Jezus wel weet van.
Maar precies daarom hebben ze dit moment ontvangen. De verheerlijkte Heer is ook degene die met hen samenleeft in het dal. De Opgestane is de Gekruisigde. Zijn licht straalt niet alleen op de berg, zijn Geest waait ook door het dal.

De derde keer in Matteüs dat sommigen Jezus op een bijzondere manier zien, is aan het slot van het evangelie na de verrijzenis, na de opstanding.
Dan zijn het de vrouwen die bij zijn graf geweest zijn. Hij komt hen tegemoet, als ze zijn voeten vastgrijpen en zich voor hem neerwerpen, dan weer zegt Jezus: wees niet bang. Daarmee heft hij hen op. Ga naar Galilea en vertel het de anderen. En vandaar neemt Jezus afscheid en staat er: sommigen bewezen hem eer, maar enkelen twijfelden.

Geloven is leven in een aardse tent. Soms op een berg, net zo vaak op het vlakke land of in het dal. Maar ergens zijn het de momentopnamen die ons gaande houden. En ook als Jezus je nooit zo is tegengekomen, kun je toch zijn leiding ervaren: luister naar hem. Zijn Geest is in ons midden, zijn licht gaat voor ons uit. Lof zij Christus.

Amen