dr. Ciska Stark: ‘Verdronken vlinder’ n.a.v. Jesaja 40: 6-8

*  Alle-Dag-Kerk, 9 september 2015  *

Voorganger: dr. Ciska Stark, Lexmond

‘Verdronken vlinder’ n.a.v. Jesaja 40: 6-8

Nog even is het lekker warm weer. Maar de herfst wordt langzamerhand voelbaar, tastbaar. ‘s Morgens is het vochtig, als kleine parels ligt de dauw op het land. Als je door een steegje of de tuin loopt, kleven spinnenwebben onzichtbaar op je gezicht. En het septemberlicht in de avond is warm van kleur maar ook zo snel weer weg dat je verzucht: oef, wat is het alweer vroeg donker.

het gras verdort en de bloem verwelkt

Het is de kringloop van seizoenen, de kringloop van de dagen, de kringloop van het leven. Wisseling, zoals de zon opgaan, blinken en verzinken. Dat is niet alleen de cyclus van de natuur, het is ook de weg van de vergankelijkheid. Sterfelijkheid.

het gras verdort en de bloem verwelkt

En het bijzondere is dat de vergankelijkheid ook een bepaalde schoonheid heeft. In de herfst komen nog één keer alle kleuren naar voren. In alle volheid, rijkdom en pracht. Te midden van de vergankelijkheid toont zich de schoonheid. Nog één keer wil je genieten zolang het nog kan. Nog één keer… Wie ouder wordt, met of zonder kwaaltjes, in nuchterheid aanvaardend of soms in heimwee verzonken, weet dat ook, en de wereld roept het ons toe: geniet, zolang het nog kan, pluk de dag.
het gras verdort en de bloem verwelkt

Want ja, vergankelijkheid zit je altijd op de hielen, En ouderdom komt met gebreken. Met verlies, soms met eenzaamheid, soms ook met boosheid en pijn voor wat nooit geweest is of je is ontnomen. Dat laatste, verlies en lijden, is een taboe in een cultuur die het ideaal van de volmaaktheid koestert. De schone schijn. Maar zelfs in de Botox-kringen van beroemde Nederlanders zoals Sophie Hilbrand komt daar soms een barstje in en komt ook ter sprake of het nu nodig is om het ideaal van de ongerimpelde vast te houden in het ideaal van de ontkenning van vergankelijkheid. Maar vroeg of laat kom je tot de ontdekking dat het leven zelf je tekent. Je kwetsbaar maakt.
Als er één wezen uit de schepping iets toont van kwetsbaarheid, dan is het wel de vlinder. Die leeft slechts een dag, of een week misschien. Een vlinder die slechts korte tijd heeft om haar pracht te tonen, een vlinder die we vaak als zo bijzonder beschouwen dat we tegen een kind zegen, kijk, een vlinder, kijk, die kleuren, kijk het fladderen. Een vlinder die niet eens kan steken of bijten, een vlinder zó mooi, maar zo vergankelijk.

het gras verdort en de bloem verwelkt

Een vlinder gaf ooit Boudewijn de Groot inspiratie voor één van zijn bekendste liedjes. Een verdronken vlinder, stervend op het water, die het verlangen oproept om te vliegen, vrij te zijn, en misschien wel soms even voor het leven op de vlucht. Om te vliegen, dacht ik, je zou een vlinder moeten zijn. Om te vliegen heel ver weg van alle leed en alle pijn.
Want onze wereld is vol van verdronken vlinders. Ontijdig gestorven. Als vergankelijkheid op zich ons al raakt in ons bestaan, dan zeker het ontijdige leed, de eendagsvlinder die te vroeg sterft, niet tot bloei komt. Juist omdat er nog een belofte uitstond. Wie wordt er niet geraakt door de foto van een gaaf kind, aangespoeld in het morgenlicht. Dat is een aanklacht tegen Gods goede schepping: zie het was goed, het was zeer goed maar het gras verdort en de bloem verwelkt…

De verdronken vlinder maakt je boos, en machteloos. Dat is wat de profeet Jesaja voelt. Hij kijkt om zich heen en ziet onderdrukking en verwoesting, mensen ontheemd en hij moet roepen. Eerst de aanklacht, wat is hier aan de hand? Zijn jullie van God los? Maar dan ook de troost, het onrecht mag niet het laatste woord hebben.
Het gras verdort en de bloem verwelkt maar het woord van onze God houdt altijd stand.
Roep Jesaja, roep! Ja, wat zal ik roepen? Wat valt er te roepen, midden in deze wereld van vergankelijkheid? Van het vuil van een vluchtelingenkamp en in de onverdraaglijke stilte rond een verdronken vlinder op het strand? Er wordt zoveel geroepen, gescholden, gebeden. Een vloek misschien, een zucht of een God is groot van hen die de oversteek halen.

Wat valt er te roepen?

Het gras verdort en de bloem verwelkt maar het woord van onze God houdt altijd stand.

Het woord des Heren bestaat in eeuwigheid. Dat is andere taal, andere toon. Voor een christen is er niet alleen de stilte van de dood, maar ook de roep van Gods woord. De troost van Gods woord. Dat Woord dat ons leert dat de schepping met haar volheid niet bedoeld is om ontijdig ten onder te gaan. Dat woord dat ons leert om kostbaar te zijn als het gaat om mensen. Dat woord dat ons optilt om over grenzen heen te kijken en te reiken, als een vlinder die vliegen kan tot in de blauwe hemel.

Het woord van onze God houdt altijd stand.

Dat woord dat ons nabij gekomen is, in een kwetsbaar mensenkind, Jezus Christus, in een mens die het woord bracht en het woord was en het woord deelde als het brood in ons midden. In zijn troostende nabijheid, in zijn profetische kracht en in zijn inspirerende creativiteit. En waar Hij ons de ogen opent zien we sterfelijkheid én schoonheid, beide in Gods Licht.
Gods woord is altijd een scheppingswoord. Vernieuwt, en heelt, is genadig en weldadig. Wat zal ik roepen? Niet, geniet van het leven want morgen is het voorbij. In de kerk klinkt andere taal, Augustinus zei het al: geniet van God, want Hij is trouw. Wat zal ik roepen, of zingen, of bidden of fluisteren? Het wordt u aangereikt: genade en vrede, om te gaan, elke dag, van God gegeven, vrij als een vlinder, en vol vertrouwen.

AMEN

Plaats een reactie