dr. Ciska Stark (Lexmond): ‘Vragen gaan voor’, n.a.v. Johannes 20: 24 – 29

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 18 april 2018  *

dr Ciska Stark (Lexmond)

Vragen gaan voor’ n.a.v. Johannes 20: 24 – 29

Het evangelie naar Johannes is van later datum dan de andere drie evangeliën. Het is geschreven voor mensen die Jezus niet hebben gezien, niet life hebben meegemaakt. Voor mensen van na die tijd. Voor ons. Voor alle mensen die niet zien en toch geloven en voor mensen die van alles zien maar niet kunnen geloven.

Terwijl geloven het begin, doel en einde is van het Johannes-evangelie. Vanaf het allereerste begin tot aan het slot van het evangelie is alles gericht op geloof. Vanaf dat moment op de bruiloft in Kana, waar Jezus als het ware tevoorschijn komt, ‘hij toonde zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in Hem’. Geloof klinkt misschien heel abstract. Tegelijkertijd is het in het evangelie ook heel aards, menselijk, tastbaar en fysiek.
In het evangelie naar Johannes wordt er geproefd, van de overvloed wijn, op de bruiloft in Kana. Er wordt gesmaakt van het brood bij de wonderbare spijziging, er wordt gehoord, de stem van de herder, er wordt geroken, de geur van de geparfumeerde olie als Maria het kruikje breekt en er wordt beschroomd gevoeld, dat Jezus zélf de voeten van zijn leerlingen aanraakt en wast. Dat zijn de momenten waarop het evangelie gebeurt. Waarop geloof aarzelend op gang komt. En hier… hier wordt dat nog concreter, Jezus die Thomas uitnodigt: “Kom, voel de littekens van de spijkers en steek je vinger in mijn zij.”

Wat gebeurt er?
We treffen de leerlingen van Jezus aan in een afgesloten ruimte. Een soort ‘escape room’ waar ze zichzelf met hun team hebben teruggetrokken. Maar de ‘teambuilding’ moet nog beginnen, ze zijn uiteengeslagen. Thomas is er niet bij. En het is geen spannend spel vol puzzels en raadsels, maar het is verwarrende werkelijkheid. Wat moet je nog geloven? Berichten van een leeg graf. Verwarrende werkelijkheid. ‘Ze zeggen dat Hij…’ maar consequenties heeft het nog niet. De leerlingen trekken zich terug.
Totdat hij komt, in hun midden staat. Vrede zij jullie. En vandaaruit worden ze erop uitgestuurd. Maar Tomas is er niet bij.

En de deuren blijven dicht. Ook een week later. De ongelovige Thomas. Ach, u weet natuurlijk dat we hem beter de ‘gelovige Thomas’ kunnen noemen, want het woord twijfel of ongeloof komt helemaal niet voor. Hij is een gedreven, gepassioneerd mens, uit één stuk. Hij is een realist. Hij wil gewoon weten, zien, ‘fact based’. En wie zou hem dat ontzeggen: hij is daarmee precies een exponent van onze cultuur. Je moet wel je dossier op orde hebben, je moet wel kunnen bewijzen wat je doet, aan praatjes zonder bewijsstukken hebben we niets. Dat is onze wereld. Dat is Thomas. Best bereid tot geloof, maar eerst even de feiten.
En dat kan verhelderend zijn. Thomas vraagt door. Hij wil de consequenties weten. Dat had hij vroeger al. Toen Jezus zei: “Waar ik heen ga, weet je de weg,” toen zat iedereen elkaar aan te kijken en hij zei: “Ja, maar Heer, wij weten niet waar u heengaat, hoe zouden we de weg weten?”
Thomas krijgt ruimte om de vragen te stellen. Zowel bij die Heer, als hier ook in de kring van de leerlingen zelf. Misschien kunnen we daar nog wat van leren. Vragen stellen mag.
Ook als het ons onrustig maakt. Kritische vragen juist. Zou u een vraag hebben, als u Jezus zou ontmoeten? Welke? Niet het tasten denk ikzelf. Eerder de vraag naar lijden, of…
Thomas vraagt door. Dat is goed. Maar het kan ook verlammend zijn. De werkelijkheid waarin hij als realist leeft, is onze werkelijkheid. Maar het is ook een beperkte werkelijkheid. En precies geloof laat ons dat zien, laat ruimte voor een nieuwe werkelijkheid.
Dat is óók iets persoonlijks. Heeft met jouzelf te maken, met wie jij bent en mag zijn voor God. Geloven is in het Johannes-evangelie altijd verbinding. Jezelf gewonnen geven. aan dat bijzondere verhaal dat bij jou binnenkomt. ‘Heer die mij ziet zoals ik ben’.
Dat is de ontdekking van Thomas. Of hij Jezus aangeraakt heeft, dat staat er niet eens. Maar wel dat hij belijdt: mijn Heer en mijn God. Precies daarmee bevestigt hij de verbinding. Mijn Heer, dat is Jezus, de Gekruisigde én de Levende, mijn God, is dat hij in Jezus de God van Israël herkent. Hij ziet de verbinding tussen God en Jezus. En hij bevestigt zijn eigen verbinding, niet Heer, God, maar mijn Heer en mijn God. En dan zegt Jezus: zalig, die niet zien en toch geloven. Die gaan geloven, of die blijven geloven. Dat kan allebei.

Voor ons is dat beide van belang. Misschien denkt u: “Ik zou wel willen geloven, maar ik kan het niet, ik heb teveel vragen.” Of u denkt: “Ik geloof wel, maar ik weet niet of ik kan blijven geloven.” Al díe mensen worden hier aangesproken.
Misschien is daarom Thomas wel de tweeling. Altijd ergens vergezeld, verbonden met de ander. Hij heeft een broer of een zus. Die wordt niet genoemd. Want die broers en zussen zijn u en ik. Het is Pasen geweest. Jezus hield niet op te verschijnen. In zijn Geest, gaf zijn vrede. Thomas ontbrak die eerste keer. Maar Jezus kon ook dat kritische mannetje niet missen. Hij kwam terug, speciaal voor hem, speciaal voor jou.
AMEN