dr. Piet van Midden: ‘Iedereen kan het’ n.a.v. Matteüs 25: 31-38

*  Alle-Dag-Kerk, 25 november 2015  *

Voorganger: dr. Piet van Midden, Bergambacht

‘Iedereen kan het’ n.a.v. Matteüs 25: 31-38

Het is een mooi verhaal, dat over de schapen en de bokken. Want die verhalen van Jezus zijn nooit zomaar uit de lucht gegrepen. Ze hebben altijd een achtergrond in zijn omgeving. En als je goed om je heen kijkt, liggen de plaatjes zomaar voor het opscheppen. Zoals vandaag in het evangelie de schapenmarkt. Daar is altijd iets te beleven, zeker in het najaar, als de winst wordt opgemaakt. De schapen, de ooien, worden van de bokken gescheiden. De bokken leveren niet zoveel op. Daar zijn er al gauw teveel van. De meeste worden gebruikt als offerdieren en zijn daarmee voor de slagerij bestemd. Met de ooien, de schapen, wordt doorgefokt. Die leveren dan ook fors meer op.
Eigenlijk is het verhaal hiermee al begonnen: het is de grote scheiding; en het blijkt niet over schapen te gaan, maar over mensen. En we zijn niet op die gezellige schapenmarkt maar in een troonzaal, waar de mensen van elkaar gescheiden worden. En waar een koning spreekt. Hij is in een opperbest humeur als hij spreekt tegen de mensen aan zijn rechterhand, en wat hij zegt is dit:
‘Goed gedaan, m’n complimenten! Jullie hebben de hoofdprijs gewonnen: het Koninkrijk van God. Dat had God al bedacht vóór de grondlegging van de wereld. Het bestond al een eeuwigheid in zijn gedachten. Want…
• ik had honger en jullie gaven mij te eten,
• ik had dorst en jullie gaven mij te drinken,
• Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op,
• ik was naakt, en jullie kleedden mij,
• Ik was ziek en jullie bezochten mij,
• ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.’

Hoor je wat die koning zegt?
Hij prijst de mensen aan zijn rechterhand niet omdat ze zo geweldig gepresteerd hebben. Hij noemt juist dingen waarvoor je in Nederland nooit een lintje zou krijgen. Dingen die je zo normaal vindt, dat ze je niet eens opvallen. Je doet ze vanzelfsprekend. Niet: ‘Ik had honger en je loste het voedselvraagstuk op’, maar: ‘Ik mocht bij jou mee-eten’. Hij verlangt niet dat we individueel het wereldwatervraagstuk oplossen, maar spreekt ons wel aan of we iemand die dorst had te drinken hebben gegeven. Hij vraagt niet van je het COA te overtreffen maar wel om die éne vreemdeling die op je weg kwam verder te helpen. Hij vraagt niet de armoe uit de wereld te bannen, maar wel om iemand mee te nemen naar Dorcas. Niet dat je een zieke beter maakt, maar wel dat je een eenzaam mens in het ziekenhuis opzoekt. Niet dat je iemand bevrijdt uit de gevangenis, maar wel dat je met Pasen een kaartje stuurt.
Het is het evangelie van de haalbaarheid. Het is makkelijker bij de open haard te filosoferen over de ellende in de wereld, dan zelf concreet iets te doen. Van mooie ideeën eet iemand met honger geen brood.
Maar de constatering van de koning in ons verhaal houdt ook een verrassing in: ‘Als je het deed voor een van deze minste broeders, deed je het voor Mij’, zegt de koning.

‘Deze minste broeders van mij …’ Hoor je wat er staat? Ze zijn erbij, die minsten, die afgedankte mensen, die in de koopgoot in Rotterdam of op het Rokin hier om de hoek zitten te bedelen.
In al die hulpbehoevenden houdt Jezus zich schuil.
Je zou het bijna vergeten in deze tijd waarin terreur een nieuwe oorlog met ons voert, en ons het zicht op die ene mens belet. Want oorlog betekent schaalvergroting; betekent horden vluchtelingen; compleet kapotgeschoten steden; aantallen slachtoffers waarbij je je niets meer kunt voorstellen; waarbij gezichten vervagen. Mensen worden getallen. Oorlog betekent dat de verantwoordelijkheid je uit handen wordt genomen. Maar Jezus draait het om. Hij vraagt ons die ene onaanzienlijke mens te blijven herkennen als mens.

‘Als je één mens redt, red je de wereld’, zeggen ze in Israël. We wisten het al uit het Evangelie: Christus, de Ene, is het in wie onze wereld is gered. ‘Hij komt van alzo hoge, van alzo veer’ zingen we in dat prachtige kerstliedje.
Hij zei niet: ’t Is zo ver van mijn bed. Het is een druppel op een gloeiende plaat’. Het werd de druppel die de hardste steen uitholt.
Hij kwam en zag die ene mens. Hij zag ook jou.

Amen

Reactie ( 1 )

  1. Beantwoorden
    Tjitze Baarda says:

    Waarde Piet,
    bij toeval (door een uitnodiging van de RUU) kwam ik je naam tegen, en kan ik je ook voor deze homilie danken. Het is lang geleden dat we op de vu elkaar tegenkwamen. Ik gebruik deze aanleiding om je te groeten en je te complimenteren met alles wat je op internet aan het verbreiden van de kennis van het Hebreeuws doet, ’t ziet er goed uit.
    Mijn hartelijke groet,
    Tjitze.

Plaats een reactie