dr. Wouter Klouwen: “Hij heeft hen driemaal slapende gevonden” n.a.v. Matteüs 26: 36-45

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 23 maart 2016  *

Voorganger: dr. Wouter Klouwen, Baarn

“Hij heeft hen driemaal slapende gevonden” n.a.v. Matteüs 26: 36-45

Inleiding
Ik wil met u overdenken het gedeelte uit Matteüs, waar Jezus in de hof van Getsemané is en zijn discipelen vraagt te waken en te bidden, en dan zegt Jezus (en ik lees u enkele verzen uit het evangelie):

Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijft hier en waakt met Mij.
En nadat Hij iets verder gegaan was, wierp Hij zich met het gezicht ter aarde en bad:
Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.
En Hij kwam bij zijn discipelen en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus:
Kon u dan niet één uur met mij waken… (Mat. 26: 38-40)

En zo gebeurde het nog tweemaal, zodat Hij hen driemaal slapende heeft gevonden.
En aan het einde zegt Jezus dan: Slaap nu maar en rust, zie het uur is gekomen… (Mat. 26: 45)

Meditatie
Tot driemaal toe heeft Jezus hen slapende gevonden, zijn leerlingen. Als je erover nadenkt: hoe kan dat eigenlijk? Je zou denken: van angst doe je geen oog dicht. Je bent gespitst en alert op wat er gebeuren gaat. Het is donker, nacht. De dreiging alom. En Jezus die bidt en ook hen vraagt te bidden en te waken, maar wat doen de leerlingen? Zij vallen in slaap… Onthutsend eigenlijk.

Nou is dat slapen in de eerste plaats natuurlijk gewoon slapen. Misschien zijn ze moe van alles wat tot nu toe gebeurd is. De oogleden zwaar. En emotie, we weten het zelf, daar kun je dood- en doodmoe van worden. Je kunt er wakker van liggen, maar je kunt er ook vréselijk moe van worden. Van verdriet. Van zorgen. Dat weten we allemaal.

Maar slapen is in de bijbel ook méér dan alleen maar je te ruste leggen. Slapen betekent vaak ook dat je er niet bij bent. Dat je afwezig bent. Absent. En dat geeft het gebeuren in de hof van Getsemane een nog grotere lading. Want de discipelen zijn niet alleen een beetje ingeslapen. Ze zijn er niet bíj. Ze zijn er niet op bedacht. Ze hebben geen benúl van wat er gaande is. Geen idéé van de weg die Jezus, de Redder van Israël, gaat, omwille van hen, omwille van ons.

En als ik het zo zeg, dan komt het wel heel dichtbij. En is het ook de vraag aan ons: of wij niet óók slapen. Of wij niet óók aan dit lijden en de weg van Jezus voorbijgaan. Druk als we zijn met ons leven. Druk met onze zorgen. En wat kan het ons ook allemaal bezétten, dat je er vol van bent. Als je ziet wat er allemaal
gebeurt om je heen, in de wereld. Dat je er zo vol van bent, maar voor God geen tijd, geen plaats. Zo gefocust op onszelf, of we het een beetje redden. Logisch natuurlijk ook, zo gaat dat. We zijn mensen. Maar Jezus vraagt ons te bidden en te waken. Hij vraagt ons op de Here God te letten. Het van Hem te verwachten. Op de Héér bedacht te zijn, en op de Héér te vertrouwen; dat Zijn weg van liefde – al gaat die onderlangs, door dood en graf – sterker is dan terreur, angst en geweld. En slapen is dat je dat vergeet, er niet op bedacht bent.

Het is een aangrijpende geschiedenis. De leerlingen die slapen. Er niet op bedacht zijn. En Jezus die verderop met zijn aangezicht ter aarde bidt: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan, doch niet mijn wil, maar uw wil geschiede. Jezus die níet zijn eigen wil zoekt. Die níet zichzelf probeert te redden, die níet zijn Vader vergeet, maar de dingen van zijn Vader zoekt. Gods wil. Gods genade. En op Hem vertrouwt.
Over dat slapen – het is een bekende Psalm, waar het woord staat: Zie, de Bewaarder van Israël sluimert noch slaapt. We zongen het zojuist. Híer is de Bewaarder van Israël. In de hof. Hij sluimert niet – Hij bidt voor ons. Hij slaapt niet – Hij waakt als een Herder over zijn schapen. Waar wij slapen, waar wij in ongeloof afwezig zijn, waar wij aan God niet denken, denkt de Heer wél aan ons. Waar wij Hem niet zoeken, zoekt de Heer wél ons. Dat is de weg die Jezus gaat. Alleen. De weg van het kruis… Om ons te redden van de dood. Om ons te doen ópstaan uit de doodslaap. Dat we eeuwig leven hebben in Hem…

En dan, als Jezus dan voor de derde keer terugkomt en zijn discipelen wederom slapende vindt, dan eindigt het met de woorden, dat Hij zegt: Slaapt nu maar en rust. Het is alsof Jezus zegt: Omdat Ík het voor je opneem – slaap nu maar, leg je nu maar neer, Ik draag je moeite en pijn weg. Ik draag je zonde en dood weg. Ik waak over je. Slaap nu maar en rust. Gij zult rust vinden voor uw zielen. Ja, ik moet denken aan dat woord van Jezus: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.

Het is de rust, de slaap van de vrede die Hij voor ons bewaart. Die Hij ons geeft. Hij die het voor ons opneemt. Het goed maakt. Ons thuis brengt, en eeuwig leven geeft.

Het is een groot geheim. Dat mogen we overdenken deze weken, deze dagen, ja álle dagen van ons leven. Wat de Heer voor ons heeft gedaan; de weg van Zijn liefde die sterker is dan dood en terreur en angst. Dat Híj ons rust wil geven. En daarom is het ook tegen ons gezegd:

waakt en bidt. Let op Hem. Want Heer,
Alleen bij U ben ik geborgen.
Gij doet mij rusten tot de morgen
en wonen in een veilig huis. (Psalm 4, ber.)

Amen.

Plaats een reactie