dr. Wouter Klouwen: “In Jezus’ naam” n.a.v. Handelingen 3: 1-10

*  Alle-Dag-Kerk, 1 juli 2015  *

Voorganger: dr. Wouter Klouwen

“In Jezus’ naam” n.a.v. Handelingen 3: 1-10

Zusters en broeders in Christus,

Het is een botsing van twee werelden, die ons verteld wordt in de kleine geschiedenis van vanmiddag. Daar heb je Petrus en Johannes die daar opgaan naar de tempel, om te bidden, om God lof te zingen, én daar heb je, daar vóór de tempel een man, verlamd van de schoot zijner moeder aan. Hij kan niets. Ze moeten hem dragen. En elke dag zetten ze hem daar neer, zodat hij een aalmoes kan vragen.
Twee werelden: de tempel, de mannen die opgaan naar de tempel, én de man buiten de tempel. Verlamd.
Twee werelden. Aan de ene kant het geloof, God loven en bidden. En aan de andere kant de werkelijkheid van alledag. Elke dag weer die man, verlamd van de moederschoot aan.
Maar – en dat is nu de vraag – die mannen van het geloof, die in God geloven, zouden die nu iets kunnen betekenen voor die verlamde man? Dat zou je toch mogen verwachten. En dat is eigenlijk ook een vraag aan ons. Wij zitten hier ook, in de kerk, rond de Schrift. Wij bidden en zingen. En dat in een wereld vol verlamming. Dat is toch zo… Verlamd ben je als je vastzit in een situatie. Dat kan voor ons persoonlijk zo zijn. Ziekte kan verlammend zijn. Of eenzaamheid. Of in de wereld zijn we verlamd als het gaat om de grote problemen. Al die vluchtelingen, al die oorlogen, dat is één en al verlamming. Wat kun je eraan doen?
Ik geloof dat het daarover gaat. Wat er in de tempel geloofd wordt, daarin kun je toch niet voorbijzien aan de verlamming die voor de deur ligt. Als wij geloven in een God vol ontferming – dan moet dat toch ook iets voor die man betekenen, die man, in wie de verlamming van de wereld is gepersonifieerd…

Dat is nu de vraag in het verhaal. Petrus en Johannes, en daar die verlamde man. Als hun geloof het geloof in de Vader van Jezus Christus is, de God van Abraham, Isaäk en Jakob – wat kunnen ze doen? Dan mag je toch iets van hen verwachten. Een aalmoes bijvoorbeeld…?
Maar wat horen we Petrus zeggen: zilver en goud heb ik niet. Nogal teleurstellend. Maar letterlijk staat er: heb ik niet tot mijn beschikking. En naar mijn idee zijn die woorden cruciaal: “Ik heb niks tot mijn beschikking om jou te helpen. Om jou uit de verlamming te halen. Ik sta met lege handen.” In die zin is ook Petrus verlamd, hij déélt in de verlamming.

Ja, hij kan als een goeddoener natuurlijk wat zilver geven, maar de verlamde blijft verlámd. En zo is het toch. Ook met ons. Wat hebben we?
Maar wat zegt Petrus dan vervólgens. Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, zal ik u geven: in de naam van Jezus Christus, sta op en wandel. Petrus heeft het niet. Wij hebben het ook niet, de oplossing. Maar wat we wél hebben, dat is een naam: Jezus Christus. En die Naam, daarin ligt alles besloten, want het is de Naam van Hem die zich over ons ontfermt, van Hem die zich met onze verlamming heeft ingelaten. Ons onvermogen. Onze zonde. Onze dood. Hij heeft zich daarmee ingelaten. – En dat we nu Jezus als Bondgenoot hebben, niet een weldoener die boven ons staat met zijn aalmoezen, maar een Ontfermer die náást ons staat, onze Lotgenoot en Deelgenoot, kijk dat verhaal, het evangelie, dáár is ons lot ten goede gekeerd. Híj is de doorbreking van de verlamming. Hij zet ons op de benen. Door Hem staan wij op…

Gemeente, het gaat hier niet zomaar om een mirakel. In dit wonderteken, gedaan aan deze verlamde bij de schone poort, in dit teken wordt zichtbaar dat we er niet toe zijn veroordeeld verlamd te blíjven. Dat de wereld er niet toe veroordeeld is altijd zo te blijven. Dat Hij zich over ons ontfermt. De Naam stelt ons in een ander perspectief. Al hebben wij de oplossing dan niet, wel die Naam, van Hem die zich met deze verloren wereld heeft ingelaten. En in die Naam is onze hoop en verwachting. In die Naam geloven, is met Hem opstaan, bemoedigd worden met kracht in je ziel. Uit de verlamming gehaald worden.

Wat kunnen we? We staan met lege handen: zilver en goud, de oplossing hebben we niet. Maar wél die naam: Jezus Christus, door wie wij uit de verlamming opstaan en – en dat is wat we kunnen – door wie wij anders kijken. Door wie wij uit het cynisme worden gehaald. Door die Naam zijn we nooit zonder hoop. Door die Naam is geen daad, hoe klein ook, tevergeefs gedaan – ben je niet langer verlamd…
Het is vanwege die Náám, dat we anders kijken, en voor niemand de hoop verliezen – want Christus is onze hoop. Het is vanwege die Náám, dat wij niemand voor nietswaardig houden, verloren, of dood – want Christus is ons leven. Het is de Naam die ons uit onze verlamming haalt, ons opricht, ons sterkt, en de wereld inzendt.

En zo zeg ik u, net als Petrus: ook ik heb het niet tot mijn beschikking, om te bemoedigen, of te troosten waar verdriet is. Maar wat ik héb, dat zeg ik U: in de naam Van Jezus Christus, sta op en wandel als kinderen van het licht,
want Hij is uw leven, uw hoop, uw Heiland.

Amen.

Plaats een reactie