dr. Wouter Klouwen: Psalm 56: 9 – “Doe mijn tranen in Uw kruik”

*  Alle-Dag-Kerk Amsterdam, 28 januari 2015  *

Voorganger: dr. Wouter Klouwen, Baarn

 “Doe mijn tranen in Uw kruik” n.a.v. Psalm 56: 9 – Psalm 56: 4-5, 9-12

4. Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U;
5. op God, wiens woord ik prijs.
Op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou vlees mij aandoen?
(…)
9. Mijn omzwervingen hebt Gij te boek gesteld,
doe mijn tranen in uw kruik;
zijn zij niet in uw boek?
10. Dan zullen mijn vijanden terugwijken ten dage dat ik roep;
dit weet ik: dat God met mij is.
11. Op God, wiens woord ik prijs,
op de HERE, wiens woord ik prijs,
12. op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou een mens mij aandoen?

Een psalm is vaak een gebed. Een woord tot God. Ook deze psalm 56 is een gebed. Van een mens in de verdrukking. Alles om hem heen staat op. Wordt groot. Zoals je dat hebt in de nacht, als de ware omvang van de dingen vertekend raakt, het spookt als schaduwen tegen het plafond. De ware verhoudingen zijn zoek. Alles is buiten proportie.
Zo zegt de psalmist: Wie mij benauwen. En wat dat is? Dat wordt in psalmen niet altijd even concreet gemaakt. Dat is gissen. Of het letterlijk vijanden zijn, zoals hier het opschrift boven deze psalm het heeft over de Filistijnen die David gegrepen hebben; waardoor je onwillekeurig moet denken aan hoe zovéél mensen in deze wereld in die onzekerheid leven. Ze hebben het op je gemunt. Ze staan je naar het leven. De stad is omsingeld. Of je vlucht de grens over naar een onafzienbaar vluchtelingenkamp. Wat is de benauwdheid?
Of dat je moet denken aan de benauwdheid van ziekte. Je moét er doorheen, maar soms denk je: hoe kóm ik er ooit doorheen.
Maar wat het ook is, dat zo groot wordt, als die donkere schaduwen tegen het plafond; wát het ook is, daar is één ding wat de psalmist overeind houdt, en dat is het vertrouwen op God, op zijn Woord. Als een refrein klinkt het tweemaal: Op God, wiens woord ik prijs, op God vertrouw ik, ik vrees niet.

Dat vertrouwen, dat is zeg maar de basis in dit gebed. In élk gebed. Zelfs in de diepste klacht, is dít de basis. Ik vind het elke keer weer zo veelzeggend en een wonder dat de aanklacht, de schreeuw, dat het in de bíjbel staat. Niet wordt weggemoffeld. Niet met een vroom sausje wordt weggepoetst. Het stáát er. In zijn rauwheid. En het staat er, en wel hierom, vanwege Gods woord, zijn belofte, dat God met mij is, zegt de psalmist. God is mijn bondgenoot, vertalen Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde in deze psalm. God is mijn bondgenoot, tot in de diepte.

En dan, ik vind het aangrijpend zoals het in deze psalm heel bijzonder staat, dan: want Gij hebt mijn omzwervingen te boek gesteld. Omzwervingen, letterlijk, dat ik hier vreemd ben, dat ik me hier niet thuis voel. Dat ik opgejaagd word. Me opgejaagd voel. Geen rust. Maar Gij kent het. Gij weet het, Heer; en: doe mijn tranen in uw kruik, zijn zij niet in uw boek?
Hij ziet het. Hij telt ze. Hij bewaart ze, als iets kostbaars. Niet van “niet huilen, kop op, stel je niet aan. Flinke jongens huilen niet.” Nee, Hij bewaart ze, Hij ziet ze. Ze zijn in zijn boek. Je kunt ook vertalen: Hij telt ze, één voor één.

Het is een aangrijpend beeld. Maar daar mogen we nu niet romantisch over doen, laat staan sentimenteel – maar dat de tranen bewaard worden, geteld, het wil denk ik veelbetekend zeggen: Hij gaat er niet aan voorbij. Het blijft Hem niet onopgemerkt. Hoe je stilletjes in jezelf daar zit, en denkt…
Maar: Gij kent en doorgrondt mij, o God. Op U is mijn betrouwen…

Wat is er groot, en wat is er klein? Vrees kan heel groot zijn. En ons vertrouwen soms heel klein. Maar de psalm leert ons: wat we vrezen is in wezen klein, hoe gróót het ook lijkt, maar in wézen is het klein; en op wie we vertroúwen mogen… heel groot, hoe kleín het ook lijkt. Het is dus precies andersom. Het is precies als in de bekende liedregel uit het lied van Johannes de Heer: groter dan de Hélper is de nood toch niet. Het lijkt enorm, je vreest, je beeft, maar groter dan de Hélper is de nood toch niet. Gij ontzet ons en bevrijdt ons, door Christus Jezus, uw Zoon, die de nood is ingegaan, om ook daar er te zijn. Jezus, die zelf geweend heeft, toen zijn vriend Lazarus gestorven was; die weende om Jeruzalem, want niemand had de tijd opgemerkt dat Gód naar ons omzag.

Dat is het diepste verdriet, menen dat God ons níet ziet. Dat wat we vrezen kolossaal en groot op ons afdoemt, en de nóód groter is dan de hélper. Terwijl Hij voor ons instaat. Borg staat. En de wereld toch in zijn Hand is.
Het diepste verdriet, godvergeten te zijn, menen dat de wereld godvergeten is. Terwijl toch Hij ons beloofd heeft: bij de mensen te zullen wonen, en dat Hij dan alle tranen van de ogen zal afwissen, en de dood niet meer zijn zal, noch rouw, noch geklaag, noch moeite meer zijn zal.

Laten we dit psalmgebed blijven bidden: Here, op U vertrouw ik, ik vrees niet…
Dat we zo elkaar en de wereld in gebed bij de Heer opdragen.
Want Gij, Here, hebt onze omzwervingen te boek gesteld.
Doe onze tranen in uw kruik.

Amen.

Plaats een reactie