ds. Annette Bosma: ‘Waarop komt het leven neer….’ n.a.v. Johannes 21: 15-25

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 13 april 2016  *

Voorganger: ds. Annette Bosma, Sassenheim

‘Waarop komt het leven neer….’ n.a.v. Johannes 21: 15-25

Waar komt het leven op neer: op geluk hebben of pech? Natuurlijk kunnen we ook zelf wel iets aan het leven af of toe doen, we kunnen verantwoordelijk of onverantwoordelijk leven, maar ‘het geluk hebben of pech’ speelt vaak wel een beslissende rol.
Het is niet voor niets dat we vaak fatalistische woorden kunnen horen: ‘je kunt je lot niet ontlopen’, ‘een mens krijgt wat hem/haar toekomt’, ‘het heeft zo moeten zijn’.
Het gaat ook allemaal zo onlogisch in het leven, zo willekeurig, zo onbillijk ook vaak. Het leven lijkt een grote loterij, de één trekt de honderdduizend en de ander wordt altijd met nieten afgescheept.
De één mag opgroeien in een goed en gaaf gezin, krijgt alle mogelijke kansen, de ander is in slechte verhoudingen geplaatst en krijgt die kansen niet. De één is begaafd, de ander loopt rond met minderwaardigheidsgevoelens: hij kan niet mee, kan er niet tegen op, zij kan zich niet handhaven.
De één is gezond en recht van lijf en leden, de ander tobt met ziekte of met een handicap. Het leven is een vreemde, willekeurige zaak. Natuurlijk, een deel ervan is terug te voeren op maatschappelijke fouten, die kunnen we proberen te herstellen, dat is zelfs onze plicht.
Maar verder…..we moeten het blijkbaar maar nemen zo het valt. En dat hindert ons soms ontzaglijk. Is de één zoveel beter dan de ander? Waaraan heeft de één het verdiend, dat hij steeds slagen van het lot krijgt en de ander dat hij almaar zegen krijgt.
En deze dingen hebben, denk ik, direct met onze tekst te maken. Het is begonnen met een gesprek tussen Jezus en Petrus. In dat gesprek wordt Petrus, die zijn Heer verloochende, weer in zijn positie hersteld.
Hij is de koning te rijk. Maar het lijkt wel alsof Jezus het nodig vindt, deze al te menselijke reactie wat te temperen. Petrus moet bedenken dat dat volgen van Jezus praktisch heel moeilijk zal zijn.
Verborgen spreekt Jezus over de zware gang van Petrus’ leven. ‘Toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naar toe wilt. Volg Mij’.
Dat is dus Petrus’ leven, Petrus’ lot: de Romeinse autoriteiten zullen hem tenslotte oppakken. Hij zal langs allerlei wegen trekken, maar het gaat naar de marteldood, volgens de overlevering de kruisdood.
2.
Petrus heeft wel iets van de donkere dreiging in de woorden van Jezus begrepen. Waarschijnlijk heeft hij even tijd nodig gehad om ze te verwerken. En als hij daarmee bezig is, hoort hij voetstappen achter zich en zich omkerend ziet hij Johannes.
Zal die er misschien beter aan toe zijn? Zal er verschil zijn tussen het eigen lot en dat van zijn mede-discipel? Moet ik misschien toch nog voor mijn zonde boeten en zal Johannes, de leerling van wie Jezus hield, een lichter lot treffen.
Misschien dat dat allemaal door Petrus heen gaat en hij is zo met zijn vraag klaar: ‘En wat gebeurt er met hem, Heer?’.
Naar de levensloop gezien is Petrus de man geweest die pech heeft gehad en Johannes heeft geboft. De overlevering vertelt van de marteldood van Petrus. Hij zou met het hoofd omlaag aan het kruis zijn gestorven.
Johannes komt in Efeze terecht, waar hij tot op hoge leeftijd over zeven gemeenten waken mag, op handen gedragen, zeer geliefd. Hij wordt zò oud, dat de legende zich vormt dat hij niet zal sterven.
Zeg eens, Heer, wat gebeurt er met hem? Hoe zit het toch met die loterij van het leven? Komt het leven soms neer op: geluk hebben of pech? Maar met één slag kapt Jezus deze vraag af. Wat wrevelig, lijkt het wel.
‘Wàt geluk hebben, pech hebben? Wat gaat het jou aan, wat er met hem gebeurt. Het is niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat ik kom. Maar jij moet mij volgen op jouw weg’.
Het opzij zien naar anderen houdt af van het zien op Hem die voorgaat. Het gaat niet om geluk of ongeluk, voorspoed of tegenspoed, boffen of pech hebben, maar om volgen.
Volgen van Jezus, dat is: de smalle weg gaan van Hem, wiens hele leven er was om God te dienen door de mensen te dienen. Jezus volgen, dat is: geloven dat je leven, of je nu pech hebt of geluk, voor Jezus Christus is bedoeld.
Dan worden de dingen anders. Dan wordt zelfs de dood van Petrus, die zinloze, wrede dood, iets anders dan ongeluk hebben; het wordt: tot eer van God, zoals we het lazen.
En Johannes wordt in Efeze geplaatst. En het is meer dan geluk hebben, meer dan het trekken van een goed lot, dat hij daar tot zegen is voor de kleinaziatische gemeenten.
Juist omdat achter de levens van beiden de Heer staat, is er geen sprake van voortrekken of achterstellen, van geluk hebben of ongeluk, maar gaat het er om zich te laten gebruiken voor het Koninkrijk.
Dat is geen kwestie van logisch, verstandelijk verklaren, maar van beleven. Als we het zo zien, worden de dingen anders. In een dagboek over een vijfjarig krijgsgevangenschap in Rusland staat het volgende:
3.
Na een jarenlang wachten staan de gevangenen met een grote groep klaar voor transport naar huis. In het licht van de schijnwerpers wordt op de arm van één van hen een litteken ontdekt.
Dat was gekomen door een kleine verwonding die bij het werken was opgelopen. Maar er wordt gedacht dat het een bloedgroepteken is van de SS, en deze gevangene wordt er helemaal alleen uitgehaald.
Als de anderen door de poort van het kamp naar het station trekken, ligt hij in de ontruimde barak in de leegte te staren. Dat is pech, dat is een duivels toeval. Het is aangrijpend te horen hoe deze man er dan mee bezig is.
Waarom hij dit en de anderen naar huis. ‘Het is niet jouw zaak….jij moet mij volgen’. Hij schrijft ‘hoe had ik de laatste weken toch zo vast en zeker op de thuisreis kunnen hopen, zonder erbij stil te staan of mijn plaats hier niet nog veel meer nodig was’.
Natuurlijk, dit is geen verklaring, het is een beleven van de dingen, open naar God, waardoor de hele vraagstelling ‘geluk of pech hebben’ onbelangrijk wordt.
Ook die vragen die aan het begin werden genoemd. Misschien zou het goed kunnen zijn om ook daarop de schijnbaar harde en onbevredigende woorden van Jezus te laten volgen ‘het is niet jouw zaak….jij moet mij volgen’.
Waarom groeit de één op in een goed gezin en krijgt alle kansen en heeft de ander dat geluk niet. Waarom is mijn lot zo anders dan dat van de ander. Het is niet jouw zaak…..
Ieder heeft in de omstandigheden zoals die op dit ogenblik voor hem, voor haar zijn, door geen jaloezie of wrok afgeleid, de Heer te volgen. Er wordt niet gezegd dat dingen niet moeilijk zijn, er wordt gezegd: laat je niet door jaloezie of wrok afleiden, volg Mij.
Want niet zozeer of ik krijg wat ik wens, wat ik heb of niet heb, wat ik ben of niet ben, maar of ik, met wat ik heb en niet heb, de Heer probeer te volgen, daar gaat het om.
Natuurlijk, geluk hebben of niet, het speelt een grote rol, maar daarop komt het leven niet alleen neer. Het is niet het meest wezenlijke. Waar het uiteindelijk om gaat is dat we in de raadselachtige realiteit van het leven, van ons leven, in relatie leven met de Heer.
Geloof is geen zaak van verklaren, het is een wijze van leven. Er is een verborgenheid waar we niet achter kijken; we beleven haar als raadsel, als absurditeit. Maar in raadsel en absurditeit klinken de woorden van Jezus ‘volg mij’. Niet achterom of opzij kijken, maar vooruit.
Is dat een vrome zoethouder? Dat geloof ik niet. Het probeert te zeggen: Ga het leven in, met de moeiten, de zorgen, het ongeluk. Je mag geloven dat je zo nodig bent. En als je bij degenen hoort die al het geluk van de wereld hebben, weet dan ook dat dat het leven ook niet alleen is; het volgen van de Heer, dat is het leven.