ds. Arianne Geudeke: MEDITATIE bij Filippenzen 4: 6

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 9 maart 2016  *

Voorganger: ds. Arianne Geudeke, Wilnis

MEDITATIE bij Filippenzen 4: 6

Nood leert bidden. Is een waar woord.
Maar even zo reëel is de ervaring van mensen dat juist als de nood hoog is – de hemel doof en stom kan lijken.
Vandaag is het Biddag voor Gewas en Arbeid. Daarom koos ik voor vanmiddag een woord uit de bijbel over bidden.
Een gelovige uit vroeger tijden schrijft ons in zijn brief:

‘Wees over niets bezorgd,
maar vraag God wat u nodig hebt
en dank Hem in al uw gebeden.’
In tijden van nood en zorgen
klinkt de opdracht
te vragen én te danken.
In één adem worden beide genoemd.
Bidden is blijkbaar beide:
Vraag God wat U nodig hebt
en dank Hem in al uw gebeden.

Deze oproep van lang geleden doet me denken aan een eigentijdser verhaal. Gevonden in een boek met de titel ‘Een handvol verhalen’ van Rene Hornikx.
De bron van het verhaal is onbekend en het verhaal is door mij iets herschreven. Een dame op leeftijd komt bij de huisarts en zegt:
“Dokter, ik heb een hand vol klachten. Zal ik ze opnoemen.”
“Laat maar horen” zei de dokter.
En de vrouw begint te tellen:
“De eerste vinger is het gemis van mijn man die vorig jaar overleden is.
De tweede vinger zijn mijn lichamelijke klachten. Het lopen gaat moeizaam; mijn ogen worden slechter, ik ben vaak moe.
De derde vinger is dat ik het gevoel heb zo weinig meer te kunnen betekenen voor anderen.
De vierde vinger is dat ik me soms zoveel zorgen maak over de toekomst van deze wereld waarin mijn kinderen en kleinkinderen opgroeien.
De vijfde vinger is dat ik het er moeilijk mee heb dat er zoveel mensen om me heen wegvallen. Mensen van mijn leeftijd. Mijn vriendinnen, mijn zussen en broers. “
“Dat is inderdaad een hele hand vol zorgen”, zei de dokter.
“Maar ik heb nog een hand”, zei de vrouw.
De dokter zucht een fractie van een seconde – niet nog meer narigheid – maar haalt opgelucht adem als hij hoort hoe de dame verder gaat.
“Aan deze hand tel ik mijn zegeningen”, zei de vrouw.
“De eerste vinger is dankbaarheid. Ik kijk met dankbaarheid terug op mijn leven.
De tweede vinger zijn mijn kinderen en kleinkinderen, waar ik blij mee ben.
De derde vinger zijn de dingen die ik nog wel kan.
De vierde vinger zijn de kerkdiensten waar ik nog steeds naar toe kan gaan. En als ik een keer te moe ben vier ik ze mee via Internet.
De vijfde vinger is dat ik een dak boven mijn hoofd heb en altijd genoeg te eten en te drinken heb, en als ik nu al die vluchtelingen zie en denk aan de oorlog die ik zelf heb meegemaakt, dan weet ik dat het ook zo anders kan zijn.”
De dokter kijkt naar de beide handen van de vrouw.

De vrouw kijkt de dokter aan en zegt:
“Twee handen die verdriet hebben gedragen, twee handen die met liefde hebben gezorgd en verzorgd, twee handen die ook wel eens tot vuisten werden gebald.
Nu ze steeds vaker in mijn schoot liggen vouw ik ze steeds meer als een gebed.
De vingers met de zegeningen vlecht ik zo tussen de vingers met de moeilijkheden. Ze horen bij elkaar. Ze houden elkaar in evenwicht.
Mijn handen vouwen is als een gebed zonder woorden. Ik tel mijn zegeningen en kan zo mijn zorgen beter aan.”

De dokter zwijgt, en omvat een moment de handen van de vrouw.
In het verhaal is het een dokter aan wie de dame haar verhaal vertelt.
Ik hoop van harte dat dat vaker gebeurt. Of dat we elkaar onze verhalen van zorgen en zegeningen vertellen. In mijn werk als geestelijk verzorger in een ziekenhuis ben ík het vaak die de zorgen – en niet alleen de lichamelijke klachten – van mensen hoor.
Maar ook degene die vraagt naar wat houvast geeft, wat tot dankbaarheid stemt, wat goed doet, wat het leven de moeite waard maakt.
Delen wat je dwars zit, vertellen wat je goed doet, is het begin van bidden.
God vragen en danken.
Bidden gaat soms beter met iets tastbaars. Een foto op het nachtkastje. Om te bidden voor je man of je kinderen. Een bijbeltekst om mee te bidden.
Om woorden te zeggen die je zelf niet kunt vinden. Een rozenkrans in de hand. Om je aandacht op God te richten. Of gewoon aandacht voor je handen die je altijd en overal bij je hebt om je zegeningen te tellen en je zorgen te noemen.

In december was ik nauw betrokken bij een dubbele uitvaart.
Twee vrouwen die bijna 40 jaar in liefde trouw samen hadden geleefd stierven daags na elkaar en werden samen gecremeerd.
Een aantal jaren trok ik met hen op. De ene keer lag de één, de andere keer de ander in het ziekenhuis. Stukje bij beetje, de een na de ander, vertelden zij hun levensverhalen met daarin:
Angstige herinneringen. Gemis van geliefden. Ziekte. Teleurstellingen in de kerk. Zorgen om elkaar en voor de toekomst. Maar op hun gezamenlijke rouwkaart stond de afbeelding van een schilderij dat jarenlang in hun huiskamer hing: een abstracte tekening met daarin hun leven en de woorden van hun lievelingslied verbeeld: Tel uw zegeningen, tel ze één voor één.
In moeilijke momenten keken ze naar dat schilderij. En als ze in het ziekenhuis lagen haalden ze zich dat schilderij voor ogen.
Met het tellen van hun zegeningen konden ze zorgen en ziekte aan. Mooi vind ik dat. Zo mag het zijn.
Een opdracht van een gelovige man uit vroeger tijden. Een verhaal uit een boek van een vrouw of man als u en ik.
En mensen die je tegenkomt, vandaag, hier en nu. Die het gewoon blijven doen in hun leven: vragen en danken en in vrede sterven.
‘Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank Hem in al uw gebeden. ’Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en uw gedachten in Christus Jezus bewaren.’
Amen

Plaats een reactie