ds. Arianne Geudeke over Genesis 18: 1-15 en Genesis 21: 1-7

*  Alle-Dag-Kerk  *

Ds. Arianne Geudeke

over Genesis 18: 1-15 en Genesis 21: 1-7

Sara aan het woord n.a.v. Genesis 18: 1-15 en Genesis 21: 1-7

Onder de eiken van Mamre zit Abraham voor zijn tent. Het is op het heetst van de dag.
Sara is in de tent. Ze verschoont de bedden of ruimt op.
Of ze ligt even op de bank. Het is immers op het heetst van de dag.

Vandaag probeer ik Sara wat uit haar tent te lokken. Zij komt aan het woord in een lied, in een meditatie in de vorm van een monoloog.

Omdat ikzelf, Arianne Geudeke, geestelijk verzorger in Ziekenhuis Amstelland te Amstelveen, niet samenval met de ik-vorm, bekleed ik mij met de sjaal van Sara.

Samen met mijn man, Abraham, begon ik een nieuw leven. Ik was toen al op hoge leeftijd. Ik hield van mijn man. Dus ja, ik ging met hem.
Weg uit mijn vertrouwde omgeving, weg van mijn familie. Naar een ander land, een onbekende omgeving, een nieuw leven.

We gingen op weg, omdat we dachten iets van Gods stem gehoord te hebben.
Ga op weg naar het land dat ik je zal wijzen. Ik zal je zegenen. Ik zal je tot een groot volk maken.

Onze grote wens, ons dieptste verlangen was in ons leven niet vervuld: een kind uit liefde geboren.
Ook daarom klonk de belofte van de Eeuwige ons als muziek in de oren.

Zouden wij, toch nog, gezegend, worden met een kind? Hoe zou er anders een groot volk uit ons kunnen voortkomen?

Sommigen onder u, vrouwen en mannen, kunnen er vast over meepraten.
Moeten dat verlangen ook kennen, dat diepe verlangen te verwekken, te baren.
Maar wie kent ook het gemis van het onvervulde verlangen?
Een altijd knagend gemis, tot op hoge leeftijd?
Een verlangen dat bij je blijft. Een gemis, soms op de achtergrond, soms heftig vers.
Als je zus of vriendin, die eerst moeder werd, nu grootmoeder wordt.
Als mensen over weinig anders kunnen praten dan over hun kleinkinderen.

En was het nu maar zo dat Abraham en ik altijd gelijk gestemd waren.
Dat wij ons verlangen en ons gemis konden delen. Maar nee, er waren tijden dat ons gezamenlijk verlangen, ons gezamenlijk gemis
tot een bron van meningsverschillen en onbegrip werd.

Want Abraham bleef hoop houden. Altijd maar weer. ‘Het komt goed,’ zei hij.
Maar ik. In mijn lijf voelde ik de leegte. Iedere maand weer werd ik heen en weer geslingerd tussen hoop en teleurstelling. Jaar in jaar uit.

En er kwam een moment dat ik liever niet meer wilde hopen, om maar niet teleurgesteld te worden.
Weet u, ik wilde geen verbitterde vrouw worden. Ik wilde weer gaan genieten van wat ik wel heb.
Ik wilde gewoon gemeenschap hebben met mijn man, zonder altijd maar aan zwangerschap te moeten denken.
Ik wilde stoppen met de waarom vragen. Wilde ophouden met het beschuldigen van God, het Hem kwalijk te nemen dat wij niet vruchtbaar waren.

Het huilen stond mij vaak nader dan het lachen. Zo vaak zong ik:
Ik sta voor U in leegte en gemis,
vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.
Gij zijt mijn God sinds mensenheugenis –
dood is mijn lot, hebt Gij geen and’re zegen?
Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?
Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?

Toen kwam de dag van Het Bezoek. Met hoofdletters.
Drie mannen, vreemdelingen voor ons, bezochten ons. Zoals wij dat van huis uit gewend zijn ontvingen wij hen gastvrij en boden hen een maaltijd aan.

Pas veel later drong het besef door dat de Heer zelf aan ons verscheen, toen en daar, onder de eiken van Mamre, in de gestalte van een mens met een boodschap, een belofte van Godswege

Ik kom precies over een jaar bij u terug en dan zal Sara een zoon hebben.

Toen, op dat moment, ik schoot in de lach. Het was de emotie van dat moment – na zoveel emotionele jaren.
Toen ontkende ik, maar nu zeg ik eerlijk: ja, ik heb gelachen.
En 9 maanden had ik de tijd om dat lachen zelf te begrijpen.
Waarom lachte ik? Wat was het voor lach? Een spottende lach? Het is belachelijk wat u zegt. Laat me niet lachen?
Zal ik, die in het leven niets meer te verwachten heb, nog in verwachting kunnen raken?
Een verlegen lach?
Hoe kan een vreemdeling zomaar over deze intieme zaken spreken.
Wat weet hij ervan? Van al mijn hoop en al mijn teleurstellingen? Van onze strijd?
Een lach van verbazing en ongeloof?
Nu nog, op onze leeftijd?
Ik ben verwelkt en mijn man is al oud?
Kan hij nog een kind verwekken, zou ik nog een kind kunnen baren?
Een hoopvolle lach?
Toch nog, na al die jaren?
Zou de Eeuwige toch woord houden?
Is er ook maar iets onmogelijk voor de Heer?

Waarom lachte ik? Wat was het voor lach?

Van het geschapene is de mens de enige die kan lachen. Geen dier dat lachen kan, het is het privilege van de mens.
Het eerste lachje van je kind – wie kan dat vergeten?

Er is een lach die heelt, maar ook een lach die kapotmaakt.
Er is een ontspannen lach, maar ook een verkrampte lach.
Een bevrijdend en een schamper lachen.
Een lachen waarin de worsteling tussen hoop en ongeloof weerklinkt
Een lachen dat ontvankelijk maakt.

Toen ontkende ik, maar nu zeg ik eerlijk: ik heb gelachen.
En alles en alles van heel mijn leven, mijn verlangen, mijn hoop, mijn strijd, mijn vertrouwen. Alles, ja alles, zat in dat lachen. Er brak iets in me. Het lachen brak mij open.
Heer, mij geschiede naar uw woord. Zou voor de Heer iets onmogelijk zijn?

Lachen en huilen liggen immers dicht bij elkaar. Soms gaat het een over in het andere.

Bij een geboorte gaan tranen van pijn over in tranen van geluk. Bij de dood gaan tranen van verdriet vaak samen met tranen van dankbaarheid om wat was, wie was.

Toen ontkende ik, maar nu zeg ik eerlijk: ik heb gelachen. Maar mijn eerdere ontkenning heb ik dubbel en dwars goed proberen te maken.
Want zo maakte ik de geboorte van onze zoon bekend.

met een lach en een traan verwacht
in liefde en vertrouwen ontvangen
Isaak
het kind dat de lach bracht
zoon van Sara en Abraham

Isaak: een naam afgeleid van het hebreeuws werkwoord ‘tsachaq’ dat ‘lachen’ betekent. Isaak: hij lacht; het kind dat de lach bracht.

God maakte dat ik kon lachen en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen.

En na mij kwamen er meer vrouwen bij wie het huilen nader stond dan het lachen, omdat ze onverwacht of ongedacht – na bezoek van hogerhand – zwanger bleken te zijn en een kind van Godswege ontvingen

Mijn ziel maakt groot de Heer. Zo zong Sara in haar tent.

Een lied van een vrouw zonder verwachting, onvruchtbaar. Een nieuw lied. Een lied vol belofte en toekomst.

Later. veel later stemmen andere vrouwen in met dit lied: Rebekka en Rachel. Hanna, Elisabeth en Maria.

Ook zij moesten of mochten ervaren dat God misschien niet altijd onze wensen vervult, maar wel al zijn beloften.

Stemmen ook wij in met dit lied van vertrouwen- een eigentijds magnificat.

De Heer heeft mij gezien en onverwacht
ben ik opnieuw geboren en getogen.
Hij heeft mijn licht ontstoken in de nacht,
gaf mij een levend hart en nieuwe ogen.
Zo komt Hij steeds met stille overmacht
en zo neemt Hij voor lief mijn onvermogen.

Amen

Plaats een reactie