ds. Bas van der Graaf (Amsterdam): “Een roepende in de woestijn”, n.a.v. Johannes 1: 19-28

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 13 december 2017  *

Voorganger: Ds. Bas van der Graaf, Amsterdam

Een roepende in de woestijn“, n.a.v. Johannes 1: 19-28

Zusters en broeders,

‘Hij is een roepende in de woestijn.’  Kent u die uitdrukking? (zou dominee Gremdaat zeggen). President Nout Wellink van De Nederlandse Bank (DNB) voelde zich bij het waarschuwen voor de grote risico’s die de financiële sector kenmerkte, een roepende in de woestijn, zo zei hij tegen de onderzoekscommissie. Een roepende in de woestijn. In ons Nederlandse gezegde betekent dat: iemand naar wie niet wordt geluisterd.

Een roepende in de woestijn. Het is een uitdrukking die rechtstreeks uit de bijbel komt. Allereerst bij Jesaja en later, als citaat, bij Johannes de Doper. Het vreemde is alleen, dat de uitdrukking daar een totaal andere betekenis heeft dan hij in dat Nederlandse gezegde heeft gekregen. Dat is wel jammer, want de oorspronkelijke uitdrukking heeft een prachtige betekenis. Daarom wil ik hem op deze woensdag in de Adventstijd samen met jullie afstoffen.

* Wat is de situatie waarin we via Johannes 1 terechtkomen? Die situatie is goed aan te duiden met het woord ‘woestijn’. Dat is het woord dat door Johannes de Doper wordt gebruikt. Ik ben de stem van de roepende in de woestijn. Waar staat dat woord ‘woestijn’ voor? Johannes Calvijn leest in dat woord ‘woestijn’ de vervallen toestand van het volk van God, zoals dat in die dagen was. We mogen het woord woestijn als een metafoor opvatten, die iets zegt over de toestand van het volk.

Wat wás die toestand? Het was een toestand van crisis. Gééstelijke crisis. Een crisis die in elk geval gepaard ging met de diepe ervaring dat God zichzelf verborgen hield. Dat hij was wéggegaan. In de tijd van Jesaja was dat de tijd van de ballingschap. De tijd dus dat een groot deel van het volk in ballingschap in Babel verkeerde. Ver van huis, in een geestelijke woestijn.

In de tijd van Johannes en Jezus lag het iets anders, maar ook toen was er een gevoel van ballingschap. Het land werd geregeerd door de Romeinse overheersers, waardoor veel mensen zich een vreemdeling in eigen land voelden. De tempel stond er nog wel, maar toch leek God wel verdwenen uit het dagelijkse leven. Zijn koninkrijk was verder weg dan ooit, in veel situaties was God de God van Israël spoorloos.

Woestijntijd. Zouden wij dat woord ook voor onze situatie durven gebruiken? Feit is wel dat van de God van Israël, de Vader van Jezus, op heel veel plaatsen in onze stad, niet of nauwelijks meer een spoor te bekennen valt. Ja, religie is er weer genoeg, ook in onze stad. Zingeving is in elk geval geen vies woord meer, spiritualiteit mag ook wel weer, maar de God van Israël, de God van de Bijbel? Ooit woonde hij hier, in dit land, in ons werelddeel, maar we hebben hem steeds meer naar de rand geduwd. Geloven in God is steeds meer geloven in ballingschap geworden.

Ik spreek veel mensen die het daar moeilijk mee hebben. Soms verlangen ze zo naar tekenen van zijn aanwezigheid, naar spoortjes van zijn betrokkenheid in hun leven, maar het blijf zo stil. Er is verlangen, er is zoeken, maar het blijft zo onvervuld! En ja, hoe hou je het dan vol om te zoeken, om te verlangen, om te geloven, te hopen, lief te hebben? Velen dus niet. We zien het gebeuren, in onze gezinnen, bij onze vrienden en medestudenten, we horen het in de verhalen van de vele Nederlanders die aan Thijs van den Brink hebben verteld waarom ze Adieu tegen God hebben gezegd.

* Maar ho even, want nu gebruik ik deze woorden toch in de negatieve betekenis die ze in ons Nederlandse spreekwoord hebben gekregen. Maar Jesaja en in zijn spoor, eeuwen later, Johannes de Doper, bedoelen met deze woorden héél iets anders. Met hun woorden duiden zij niet op de God die wéggegaan is, maar juist op de komst, de terùgkomst van God! Jesaja krijgt van God namelijk een goddelijk visioen voor ogen geschilderd. En meteen aan het begin zegt hij dit: 3 Hoor, een stem roept: ‘Baan voor de Heer een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God.’

Het zijn geen mensen die over de weg lopen, nee, het is God zélf! God zelf keert terug naar het land dat hij verlaten had, naar de tempel die hij verlaten had. De reden wordt ook gegeven: het is genoeg geweest zo. De schuld van het volk is dubbel en dwars betaald, de straf heeft lang geduurd, de weg is weer open. Hij keert terug als koning. Een koning die een heraut vooruit stuurt om zijn komst aan te kondigen, met de woorden: Baan voor de Heer een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God!

En Johannes, eeuwen later, zegt: “Als jullie mij nou vragen wie ik ben, dan is dit mijn antwoord: Ik ben de stem die Jesaja hoorde roepen, de stem die roept in de woestijn.” De stem die de terugkomst van God aankondigt, de koninklijke terugkeer van God. “Het patroon van eeuwen geleden herhaalt zich dus,” zegt Johannes, maar dan heel anders. Want de koning die nu komt is de Messias, die komen zou.

* Dat is wel een verschil hè, met die roepende uit het spreekwoord. De stem die hier roept is een stem vol grote beloften, een stem van hoop.

Er schuilt in deze woorden een diep verlangen van de Heer zelf om zich niet te laten verjagen, maar te komen, opnieuw te komen, ook in ons leven. En het is in het verleden vaak gebeurd, dat na een woestijnperiode toch weer andere tijden kwamen.

* Maar wat kunnen we dan doen om gehoor te geven aan die stem in de woestijn? Het antwoord is even eenvoudig als uitdagend: Baan voor de Heer een weg, effen een pad. We krijgen dus de opdracht om hem daar neer te leggen!

Wat betekent dat: een weg banen voor de Heer, een pad voor hem effenen? Beide beelden staan voor: alles uit de weg ruimen wat de Heer zou kunnen belemmeren om te komen. Misschien zit je in een woestijnperiode en is God ver weg op dit moment. Geef de moed niet op, maar werk aan de weg. Kijk of er stenen kunnen worden opgeruimd (is er nog een ruzie op te lossen?), kijk of je kuilen kunt dichten (kuilen die je nu misschien probeert te dichten met een of andere verslavende gewoonte). Maar ook: blijf luisteren naar bijbelwoorden, stop niet met bidden (probeer het eens op een andere manier, wees eens stil in plaats van altijd te praten), oefen je in de geestelijke disciplines. En in dat alles: geloof dat de Heer wil komen, dat het zijn verlangen is om te komen.

Want het is Advent, lieve mensen, de tijd waarin we gevoed worden in de verwachting dat God zal komen, omdat hij al gekomen is, in Jezus Christus, de zoon van God. Een stem roept in de woestijn.

Amen

Plaats een reactie