ds. Bas van der Graaf: ‘Burgerrecht in de hemel’ n.a.v. Filippenzen 3: 17 – 4: 1

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 16 november 2016  *

Voorganger: ds. Bas van der Graaf, Amsterdam

‘Burgerrecht in de hemel’
n.a.v. Filippenzen 3: 17 – 4: 1

Zusters en broeders,

We zitten in de tijd van het jaar waarin in verschillende kerken wordt stilgestaan bij hen die ons ontvielen. Op 2 november was het in de katholieke traditie Allerzielen, aanstaande zondag wordt door veel protestanten als zondag van de Voleinding gevierd. Rond deze momenten staan we stil bij de dood, maar we verlangen natuurlijk ook naar woorden van leven. Woorden van eeuwig leven. Woorden die de dood overstijgen. Van dat soort woorden deelt de apostel Paulus met zijn lezers in Filippi en vanmiddag ook met ons. Zullen we kijken wat hij zegt?

Paulus richt ons oog op de hemel, als plek waarop onze hoop gevestigd mag zijn. Maar hij doet dat wel op een verrassende manier. Paulus blijkt namelijk een wat ander hemelgeloof te verkondigen dan door veel mensen nogal eens geloofd wordt. Hij zegt dit: ‘Maar wij hebben ons burgerrecht in de hemel’. Het christelijk geloof betekent volgens hem niets minder dan dat je leven met de hemel verbonden is en daarmee binnen Gods koninkrijk valt. En die verbondenheid met de hemel is – zo schrijft hij – vooral de verbondenheid met de Koning die daar is, Jezus, de gekruisigde en opgestane.

Maar wat bedoelt hij met die uitdrukking ‘burgerrecht in de hemel’? Bedoelt hij: gelukkig hebben we een ticket voor de hemel gekregen en gelukkig mogen we daar na onze dood naar toe? Nou, Paulus denkt eerst aan iets anders. Die uitdrukking ‘burgerschap in de hemel’ is voor de Filippenzen namelijk een heel sprekend beeld. De stad Filippi was namelijk een kolonie van Rome, ooit vanuit het idee om gepensioneerde militairen daar een verzekerde oude dag te geven. De stad lag een eind van Rome, maar de bewoners hadden wel het burgerrecht van Rome, dat hun bescherming bood. Ze wisten: we leven in verbinding met de keizer en mocht zich iets voordoen, dan zal hij komen. Met dat burgerrecht vergelijkt Paulus het leven vanuit het geloof: ons leven op aarde is een kolonie van de hemel, van onze koning die daar is. In het geloof hebben we niets minder dan burgerrecht van Gods koninkrijk gekregen.

Maar wat is dan de hoop, de verwachting die door dat burgerrecht gevoed wordt? Laten we weer even beginnen bij die Romeinse burgers van Filippi. Wat hoopten zijn van het leven? Dat ze zo snel mogelijk naar Rome zouden kunnen verhuizen, om daar het echte goede leven te vinden? Nee, dat hoopten ze niet. Ze waren dankbaar dat ze Romeinen waren, maar hun hoop was dat hun verbondenheid met de keizer en met de stad van de keizer het leven in Filippi ook goed zou maken. Ze verwachtten dat de keizer naar Filippi zou komen, al was het maar in zijn gezanten. En dat is precies wat ook de hoop is die Paulus verkondigt. Hoor maar: ‘Van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus. Met de kracht waarmee hij in staat is alles aan zich te onderwerpen, zal hij ons armzalig lichaam gelijkmaken aan zijn verheerlijkt lichaam.’

De kern van Paulus’ verwachting is niet dat na de dood onze ziel naar de hemel gaat. Dat onze ziel daar tijdelijk bewaard wordt, gelooft hij wel, maar dat is niet de kern. De kern is: wij verwachten onze Heer uit de hemel. Hij zal ons niet bevrijden ván ons lichaam, nee hij zal ons lichaam zélf bevrijden van de vergankelijkheid. Zoals het lichaam van Jezus na de opstanding herkenbaar hetzelfde maar tegelijkertijd ook anders want hemels was, zo zal het ook met ons lichaam gaan. Ons lichamelijke bestaan blijft onderworpen aan dood en verval en daar helpen uiteindelijk onze inspanningen niet tegen. Maar dat maakt ons niet hopeloos, want we mogen geloven dat er één is die de armzaligheid van ons lichaam wel kan overwinnen en dat is Jezus Christus, onze Heer. Nog anders gezegd: het Evangelie belooft ons een vernieuwde hemel én een nieuwe aarde, van het geestelijke en het stoffelijke, van onze lichaam, onze geest en onze ziel. Nog anders gezegd: het beslissende richtpunt van onze verwachting is volgens Paulus niet het moment dat wij dit aardse leven verlaten voor de hemel, maar het moment dat Christus de hemel verlaat om ons hele bestaan te vernieuwen.

Wat denken we, is dit mooi nieuws? Eerlijk gezegd merk ik nog wel eens dat sommige mensen dit een beetje moeilijk vinden. Ze putten zoveel troost uit de gedachte dat hun geliefde nu in de hemel is (wat we ook mógen geloven) of dat ze daar zelf snel heengaan (wat ook een troost kan zijn) dat de opstanding der doden daarmee vergeleken een schrale troost blijft. En ik snap dat wel, dit idee is zo gevoed door allerlei liederen die we in de kerk graag zingen. Toch hoop ik van harte dat we zo meteen, als we een lied zingen dat helemaal in lijn ligt met dit stukje van Paulus, we dat met vreugde en dankbaarheid zullen doen. Want kijk toch wat ons daar allemaal in beloofd wordt, waar we naar mogen uitzien wanneer we ons aan Jezus Christus toevertrouwen. In geloof mogen we zeggen: we hebben burgerrecht in de hemel en dat geeft ons hoop voor ons aardse bestaan. ‘Dit broze mensenleven, verloren in de tijd, zal God een lichaam geven van onvergankelijkheid.’, zingen we zo meteen. Als dat geen goed nieuws is!

Amen