ds. Carolien Cornelissen: ‘Wie ben je?’ n.a.v. Marcus 10: 17-22

*  Alle-Dag-Kerk, 11 november 2015  *

Voorganger: ds. Carolien Cornelissen, Utrecht

‘Wie ben je?’ n.a.v. Marcus 10: 17-22

Zusters en broeders,

Verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen.

Dat is nogal wat: alles verkopen en weggeven.
Hoe moet je dan leven, zonder enig bezit? Je kunt het je eigenlijk niet voorstellen.
Ik zie vluchtelingen die dag aan dag voorttrekken. Ze hebben nog wel íets, sjouwen met de belangrijkste spullen die ze hebben kunnen meenemen, maar het komt aardig in de richting van niets meer bezitten.
Het is hartverwarmend om te zien hoe mensen hun zolders doorzoeken op zoek naar kleding en andere spullen die de vluchtelingen kunnen gebruiken. Daarin zien we iets van het delen met hen die niets bezitten.
Maar alles weggeven? Niets meer bezitten? Het is moeilijk voor te stellen.
Ik kwam op een gedachtenexperiment, waarmee we misschien iets dichterbij komen.

Mijn voorbeeld is een woningbrand. Ik heb het gelukkig nog nooit meegemaakt, maar het is een van mijn grote angsten. Ik hoop dat wij allemaal daarvoor gespaard blijven.
Stel u voor dat er brand is in uw huis. U moet uw huis uit vluchten. Wat neemt u mee?

Is er iemand die haar handtas heeft meegenomen?
Paspoorten. Verzekeringspolissen. Sleutels. … Dat zijn de zakelijke dingen.
Fotoboek. Harde schijf van de computer (foto’s!). Oude teddybeer. Knuffel van de kinderen. Erfstuk uit de familie (schilderij, vaas). Dat zijn de dingen waar herinneringen aan kleven.

Helaas, als er écht brand is, neem je niets mee, je bent blij dat je jezelf en je huisgenoten hebt kunnen redden.
Dus daar staan we, met uitzicht op de rokende puinhopen. Alles is weg. Hoe voel je je?
Dit doet pijn.
We zeggen wel: ‘Het zijn maar spullen’, maar het zijn niet ‘alleen maar spullen’, het zijn herinneringen. Die spullen hoorden bij jou, voelden als een deel van jou.
Als ik op huisbezoek kom, zie ik mensen in hun kamer tussen hun spulletjes. Die vertellen mij iets over hun. Zo is het ook bij u thuis. Het behang, de meubels, de foto’s aan de muur, de boeken in de kast. Ze laten zien wie u bent, wat en wie u lief is.
Daarom doet het zo’n pijn als je alles kwijt bent; het is alsof er een stuk van jezelf is afgescheurd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de rijke man terneergeslagen is, als Jezus hem zegt dat hij alles wat hij heeft, weg moet doen.

Toch zijn er mensen geweest die dat hebben gedaan.
De bijbel vertelt over de eerste christengemeenten die alles samen deelden.
Later kwamen er kloostergemeenschappen die op die manier leefden.
In de tijd van de Reformatie, wilden groepen christenen, zoals wederdopers, leven volgens het ideaal van de eerste christelijke gemeente.
In de eeuwen daarna, tot op de dag van vandaag, zijn er steeds weer individuen of groepen mensen die afstand doen van persoonlijk bezit en alles, of tenminste heel veel, gemeenschappelijk hebben.

Ik vind het knap, maar het is niet mijn weg. Ik weet dat het mij niet gaat lukken. Ik voel me gelukkig als ik in mijn eigen huisje tussen mijn eigen spulletjes zit. Het lijkt me heel moeilijk om daar allemaal afstand van te doen.

Wat je hebt – spullen, maar ook een baan, een functie in een bestuur of organisatie – wat je hebt, dat zegt iets over wie je bent. Het maakt deel uit van je identiteit.
Toch zegt Jezus dat je bereid moet zijn dit alles te verkopen, weg te doen, als je hem wilt volgen op de weg van Gods Koninkrijk. Daarmee lijkt hij te zeggen dat je een deel van je identiteit moet opgeven om hem te volgen.

Zo doet Sint Maarten dat als hij de helft van zijn mantel aan de arme bij de poort geeft. Met de andere helft van de mantel behoudt hij zijn identiteit als Romeins soldaat. Later geeft hij die identiteit wel op en wordt helemaal navolger van Christus.

Maar is dat wel echt zo? Geven we onze identiteit op, als we wegdoen wat we ‘hebben’?

Wordt jouw identiteit bepaald door wat je hebt? Is je identiteit daarvan afhankelijk? Zou je niet meer zijn wie je bent, zonder die spullen, die baan, die functie?
Bepalen die dingen jouw identiteit, of geven ze alleen uitdrukking aan je identiteit?
Wat is wezenlijk voor wie jij bent?

Jezus daagt ons uit om onze identiteit niet te verknopen aan wat we hebben, maar dat juist los te laten. Laat wie jij bent, niet bepalen door wat je hebt. Je bent meer dan dat.
Je identiteit wordt ook niet bepaald door wat je dóet. De rijke man heeft zich heel zijn leven aan alle geboden gehouden. Dat is goed van hem, hij heeft daarmee gewandeld op de wegen van de Tora. Maar je bent niet alleen wat je dóet.
Als je later oud bent en bedlegerig of dementerend, en je doet niets meer, bén je dan ook niemand meer?
Als je niets meer hebt, geen spullen, geen baan, niets, bén je dan ook niemand meer?

De dingen die je doet en die je hebt, geven uitdrukking aan wie je bent, maar ze zíjn niet wat jij bent. Je bent meer dan dat.
Zo kijkt Jezus naar ons. Hij ziet mensen niet slechts als personen die dingen hebben en dingen doen. Hij ziet mensen in hun relatie tot elkaar en tot God.
Dat is wie je bent: mens met mensen, mens met God.
Jij bent een geliefd kind van God.
Niet alleen jij, maar ook de ander is kind van God. Daarom sta je in relatie tot elkaar.
Laten we met de ogen van Jezus naar elkaar kijken: ieder een geliefd kind van God. Als we samen wandelen als kinderen van God, wandelen we in Gods Koninkrijk, dat is het eeuwige leven.

Amen

Plaats een reactie