ds. Conny Berbée (Abbenes): “Hartenkreet”, n.a.v. Psalm 8

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 14 oktober 2020  *

Voorganger: ds. Conny Berbée (Abbenes)

Meditatie thema: “Hartenkreet“, n.a.v. Psalm 8

Lieve mensen van God,

Het verhaal gaat dat er ooit een koning was die voor eens en voor altijd wilde weten of er nu wèl of niet een God bestaat. Hij droeg z’n geleerden op ervoor te zorgen dat hij binnenkort met eigen ogen zou kunnen zien of God bestond of niet. De tijd verstreek. Geen van de geleerden wist een manier om aan het verzoek van de koning te voldoen. Tenslotte stond er een eenvoudige man op. Hij ging naar de koning toe en zei: ‘Koning, morgen zal ik u God laten zien. Om twaalf uur ‘s middags op het veld achter het paleis.’ Zo gezegd, zo gedaan. De volgende dag stond de koning stipt op tijd achter het paleis. ‘En…?’ zei hij vragend tegen zijn eenvoudige onderdaan. ‘Wel’, hernam de man: ‘kijkt u nu eens recht in de zon…’ ‘Hoe kun je dat nu vragen?’ sprak de koning geïrriteerd: ‘Dat kan toch geen mens!’. Het antwoord van de man was even eenvoudig als onthutsend. Hij zei tegen de koning: ‘Dus u wilt de Schepper van deze hele wereld kunnen zien, maar bij een klein stukje van Zijn Schepping knijpt u de ogen al dicht…?’

Het verlangen van deze koning is ons niet onbekend. Wie zou niet graag een onomstotelijk bewijs hebben dat God echt bestaat. In het verleden zijn zulke bewijzen ook wel uitgedokterd door knappe theologen. Maar in de loop van de tijd zijn deze allemaal ook weer onderuit gehaald. De afgelopen jaren zijn er verschillende boeken verschenen van vooraanstaande theologen, die het bestaan van God betwijfelen. Geloven is meer ‘een gevoel’ zeggen ze dan, een ervaring, een overgave.

En inderdaad, veel mensen ervaren iets van God, bijvoorbeeld in de schoonheid van de natuur. ‘Er moet toch iets hogers zijn.’ zeggen ze dan: ‘Dit kan toch niet allemaal toevallig ontstaan zijn.’

Maar de natuur heeft ook een duistere zijde. Dieren die elkaar soms op gruwelijke wijze opjagen en afslachten, natuurrampen, bacteriën en virussen. Dat is ook de natuur. En wanneer je daarnaar kijkt, lijkt God eerder de grote afwezige.

Wanneer de dichter van Psalm 8 zo op het eerste gezicht ook zo onbevangen Gods aanwezigheid uit de natuur lijkt te kunnen aflezen – ‘HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde’ – dan is dat daarom niet zonder meer dezelfde ervaring als sommige mensen in onze tijd hebben. De dichter ervaart in de natuur namelijk niet ‘iets hogers’, maar hij ziet daarin de God van Israël. Hij spreekt God aan met Zijn Verbondsnaam: ‘HEER’. En dan verwondert hij zich dat de schepping zo machtig groots is, maar dat er tegelijkertijd zoveel kwaad en onbegrip is. Vergeleken met het enorme heelal zijn wij mensen maar zulke nietige wezens, maar toch – zo schrijft de psalmist – ziet God naar de mens om. Hij heeft hem ook wel een beetje bijzonder gemaakt, bijna goddelijk, aangesteld tot onderkoning over alles wat op aarde is, de dieren op het land, de vogels, de vissen en de planten.

En verder heeft hij God leren kennen door wat hem verteld is van Gods betrokkenheid in de geschiedenis van zijn volk: de roeping van Abraham, de uittocht uit Egypte, de bevrijding uit de ballingschap, hoe God telkens opnieuw meetrok. Dat is de basis van zijn geloof. Zijn Godsbewijs. Gods daden in de geschiedenis van Israël die opgetekend staan in de Bijbel. Dat geeft stevigheid aan zijn geloof. Ook wanneer de wereld om hem heen en alles wat daarin gebeurt vragen bij hem oproept.

En vanuit dat geloof begint nu ook de natuur voor hem te spreken. Ziet hij, met alle vragen die er over blijven, toch Gods hand in de grote en in de kleine dingen. Ziet hij Gods heerlijkheid in de zon aan de hemel. Maar evengoed in de zachte geluiden van een baby. Maar daar moeten je ogen wel eerst voor geopend worden. Daar moeten ze telkens opnieuw voor geopend worden. En dat gebeurt door de boodschap van de Bijbel. Dat er een God is die in de geschiedenis van het volk Israël en in de komst van Jezus Christus heeft laten merken dat Hij er echt is. En dat Hij ‘onze HEER’ wil zijn. Dat Hij ook met ons te maken wil hebben. Een relatie met ons wil aangaan. Een verbond.

Twijfel aan het bestaan van God. We hebben er misschien allemaal wel eens last van. Daarom wil ik eindigen met een prachtig gedicht van Truus van der Roest, getiteld:

Hartenkreet

U bent dicht bij mij, Heer,
dat hebt U zelf beloofd.
Toch voel ik mij zo vaak
van dat besef beroofd.
Dan tart de werk’lijkheid
van mijn verward bestaan
elk hooggestemd gevoel
en grijpt de angst mij aan.

Bent U er altijd, Heer?
Of sta ik toch alleen?
En… als uw hand mij wenkt,
waar voert U mij dan heen?
Ik leef naar mijn idee
voortdurend op de tast,
terwijl mijn diepste zijn
juist hunkert naar houvast.

God, wek in mij opnieuw
geloof in uw beleid.
Pas dan weet ik mij weer
beveiligd en bevrijd.
t Gaat niet alleen om wat ik voel
of innerlijk beleef,
het is ook zaak dat ‘k U
mijn blind vertrouwen geef.

Want waar mijn vertwijfeld hart
Uw liefde weer ontdekt,
daar zie ik hoe uw heil
zich ook aan mij voltrekt.
Daar hoor ik ook uw stem
en komt er duid’lijkheid:
U bent dicht bij mij, Heer,
Uw trouw is werk’lijkheid!

Uit: “Leven van genade” (Truus van der Roest)

Dat het zo moge zijn.

Amen.