ds. Dirk-Jan Thijs: ‘Van uitdelen word je rijker’ n.a.v. Lucas 9: 10-17

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 22 juni 2016  *

Voorganger: ds. Dirk-Jan Thijs, Amsterdam

‘Van uitdelen word je rijker’ n.a.v. Lucas 9: 10-17

Beste mensen hier in de Engelse Kerk op het Begijnhof in Amsterdam en allen die met ons meeluisteren,

Als je jarig bent en je zit op de basisschool – dan wordt dat gevierd. Dat was vroeger al zo en is vast nog steeds het geval. Een hoogtepunt was het uitdelen van lekkers in je eigen klas en dan ook nog (met een vriendje) de klassen rond. De andere meesters en juffrouwen feliciteerden je dan in ruil voor een bonbonnetje. En je vriendjes of vriendinnetjes mochten ook nog een traktatie pakken. Voor overige kinderen in die klas was dat niet zo leuk. Zij werden noodgedwongen overgeslagen. Voor iedereen iets lekkers – dat zat er niet in. Ik heb het tenminste nooit meegemaakt. Daarom was de feestvreugde altijd enigszins gedempt. Het waren je klasgenoten en je vriendjes…..

Je kan niet onbeperkt uitdelen. Je moet je verstand gebruiken. Dat leerde je al als kind en je neemt het mee als volwassene. Het is goed om iets te geven aan goede doelen. Iets, aan enkele doelen. Het liefst dicht bij huis. Zo blijft het behapbaar. Je kan toch niet de nood van de hele wereld oplossen?

De leerlingen van Jezus waarover we vandaag lezen, hebben een vergelijkbaar praktisch advies. ‘Stuur die mensen nu weg, dan kunnen ze iets te eten gaan kopen. En een plaats voor overnachting gaan zoeken. Want dit is een afgelegen plaats’. Zelf zijn ze kennelijk van plan te blijven waar ze zijn – met het eten dat ze bij zich hebben.

Jezus gaat echter niet in op hun welgemeende advies. ‘Geven jullie hun te eten’. Maar we hebben alleen vijf broden en twee vissen! Moeten wij dan eten gaan kopen voor 5000 mensen? Hoe kan je nu uitdelen als je zelf (vrijwel) niets hebt?

Lucas verbindt dit verhaal met het voorafgaande. Jezus had toen ook een opdracht voor zijn leerlingen. Hij zond ze op pad. Niets hoefden ze mee te nemen: Geen stok. Geen reistas. Geen brood. Geen extra kleren. Ze krijgen wel iets anders mee: macht en gezag over demonen. Kracht om zieken te genezen. De opdracht is het Koninkrijk van God te verkondigen. Voor onderdak en hun stoffelijke behoeften zijn ze aangewezen op de mensen. Willekeurige mensen die ze zullen ontmoeten. Niet ieder zal hen welkom heten, maar sommigen wel. De leerlingen brengen verslag uit. Ze hebben gedeeld: de gaven van God. En ze hebben ontvangen: de gaven van mensen.

Nu krijgen de leerlingen dus opnieuw een opdracht: Geven jullie hun te eten! Deze massa mensen hier voor ons. Die eerdere opdracht vroeg een behoorlijke dosis moed. In goed vertrouwen op pad gaan. Zonder bagage. Zonder voorraad. Is dat niet onverantwoord? Hun vertrouwen werd niet beschaamd. Nu moeten ze weer opstaan en de mensen langs gaan. Met alleen vijf broden en twee vissen! Twee keer niets!

Maar ze hoeven niet zonder meer te gaan. Zoals ze macht, gezag en kracht meekregen op hun eerste ronde, krijgen ze nu gezegend brood en gezegende vis mee. De zegen van God rust ook op deze missie.

Eerst mogen ze de mensen in groepen van 50 plaatsen. Eigenaardig detail. Vijftig mensen. Misschien wel de gemiddelde omvang van veel kerkelijke gemeenten van vandaag. Het getal 50 in de Bijbel doet denken aan het Jubeljaar. Een heilig jaar. Alle bezittingen keerden terug naar de oorspronkelijke eigenaars. Want het land mocht niet voor altijd verkocht worden. Zo werd blijvende verarming voorkomen. En trouwens – als het er op aankomt – is de aarde niet van de HEER? (Ps.24: 1) Het getal 50 doet je ook denken aan de vijftigste dag na de opstanding van Jezus. De dag van Pinksteren (dat betekent vijftig) , de uitstorting van de heilige Geest. De Geest die voor vruchten zorgt. Het Bijbelse getal ‘vijftig’ verkondigt ons: verlossing, vrijheid en overvloed. Het zegt ons iets over de nieuwe schepping. Over het volmaakte. Over de vervulling van al Gods plannen.

Er is voldoende voor iedereen. Sterker nog: er blijft nog over. Wat overblijft gaat niet met de vuilnisman mee; nee, het wordt zorgvuldig ingezameld. Twaalf manden vol. Voor iedere leerling een mand (is je indruk) . Ze begonnen met één mand – en ook nog een keer een vrijwel lege – en eindigen met 12 volle manden. Van uitdelen word je niet armer, nee, rijker!

Er is wel moed voor nodig, om aan de slag te gaan! Of – beter gezegd – geloof en vertrouwen. Je hebt het gevoel dat je met niks op pad wordt gestuurd. Hoe kan ik nou iets van het goede nieuws doorgeven? Dat is toch niet iets waar men tegenwoordig warm voor loopt? Hoe kan ik nou de hongerigen te eten geven? De behoefte is toch eindeloos en wie zegt me dat mijn geld goed terecht komt? De uitdaging is niet om stil te staan bij ons onvermogen. De opdracht is om in beweging te komen. Om dan te ontdekken dat je van uitdelen niet armer wordt. Dat kan alleen als je beseft dat je geeft van wat je zelf ontvangen hebt. En bovendien: als wij delen, vermenigvuldigt Hij.

Het is feest. De 12 leerlingen gaan de klassen rond. Klasjes van 50 zijn het. En iedereen mag iets pakken. Iets? Zoveel als je wilt! Iedereen. Want het is Jubeljaar. Jezus is erbij. We beleven hier iets van het Koninkrijk van God. Het is een haast hemels tafereel. De profetie van Jesaja lijkt hier verwerkelijkt te worden. ‘Komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs’
(Jes. 55: 1).

En de leerlingen ontdekken het: van uitdelen word je rijker! Want Hij die rijk was is om ons arm geworden, opdat wij door zijn armoede rijk zouden worden.
(2 Cor.8: 9). Hij zendt ons uit, u, mij, leerlingen van Christus, om van die rijkdom te delen. Woorden van leven, brood en vis.

Amen