ds. Gert van de Meeberg (Halfweg-Zwanenburg): ‘Compassie’, n.a.v. Marcus 1: 40-45 (NBV)

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 17 januari 2018  *

Voorganger: Ds. Gert van de Meeberg (Halfweg-Zwanenburg)

Compassie, n.a.v. Marcus 1: 40 – 45 (NBV)

40 Er kwam iemand naar hem toe die aan huidvraat leed; hij smeekte hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als u wilt, kunt u mij rein maken.’ 41 Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ 42 En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein.

43 Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: 44 ‘Denk erom dat u tegen niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’

45 Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar hem toe komen.

Geliefde aanwezigen, geliefde luisteraars thuis,

De evangelist Marcus schreef kort en bondig. Zijn evangelie is dan ook het kortste van de vier. En juist omdat hij zo ‘to the point’ is, vind ik het een mooi evangelie. Vanmiddag kijken we naar het verhaal over de melaatse man en zijn genezing. In enkele woorden wordt de wereld van die uitgestoten mens geschetst. Een wereld die wij niet herkennen. Of misschien toch wel? Laten we gaan kijken.

Wat ik me meteen afvraag: wie is die man, die naar Jezus toe komt? ‘Iemand’ zegt Marcus. Het kan dus iedereen geweest zijn. Want het kon je zomaar overkomen dat je melaats werd. Huidvraat wordt het in de Nieuwe Bijbelvertaling genoemd. Precies aan te duiden is de ziekte niet. Huidvraat is een verzamelnaam voor allerlei huidziektes en eczeemachtige aandoeningen.

Zodra je huiduitslag kreeg, moest je naar de priester om het te laten zien. Als hij vaststelde dat het om een ernstige huidziekte ging, mocht je niet meer in je woonplaats komen. Je moest je afzonderen van de gemeenschap. Zo wilde men voorkomen dat ook andere mensen onrein werden.

En je mocht pas terugkeren in de bewoonde wereld, als de ziekte verdwenen was. Eerst moest je dan naar de priester voor controle. Als hij vaststelde dat je genezen was, vond er een reinigingsritueel plaats bij het altaar. Dan hoorde je er weer bij, dan mocht je weer in je eigen huis gaan wonen.

Wat moet het vreselijk geweest zijn, het was een dubbele last: èn ziek èn in afzondering moeten leven. Als er mensen in je buurt komen, dan moet je ‘onrein!’ schreeuwen, als waarschuwing. En iedereen loopt met een boog om je heen. Niemand wil je meer aankijken of aanraken. Je bent jezelf niet meer, je identiteit ben je kwijt, men kent je alleen nog als ‘die melaatse’.
Zo omgaan met zieken staat ver van onze tijd en onze cultuur. Dat is het eerste wat ik denk. Wij doen het anders. Een wereld die wij niet herkennen als de onze. Als je in onze tijd ziek bent, word je met alle medische zorg en aandacht omringd. In die zin is het totaal anders dan de melaatse man uit het verhaal. Maar het isolement kan hetzelfde voelen.

‘Ik wil niet alleen maar als patiënt gezien worden’, zei een gemeentelid tegen me. ‘Ik ben gewoon nog steeds dezelfde, maar mensen praten òf vooral over mijn ziekte òf ze mijden me, omdat ze er niet naar durven vragen.’

Trouwens, ook als je gezond bent, is het belangrijk dat je gezien wordt. Dat je er bij hoort, gewoon om wie je bent. Dat mensen niet langs je heen lopen of als het ware dwars door je heen kijken.

Bijvoorbeeld, je hebt je partner verloren. ‘Het leven gaat verder’, wordt er dan gezegd. Maar voor jou gaat het leven zo ànders verder. Wie ziet jou, wie begrijpt je verdriet? Of je bent zo veel aan het werk, dat je nauwelijks tijd maakt voor vrienden en familie. Wie ziet jou, wie haalt je uit die werksleur? Misschien ben je wel verlegen, vind je het lastig om een gesprek te beginnen, om contact te maken. Wie ziet jou, wie wil jou leren kennen?

Zo komt het verhaal dat Marcus ons nagelaten heeft, veel dichterbij. Want, die melaatse mens, dat kan iedereen zijn. Het kan u of jij of ik zijn. Iedereen wil gezien worden: een liefdevol woord, een arm om je heen. Dat hoort bij je mens-zijn, we kunnen niet zonder elkaar.

Jezus weet dat als geen ander, hoe nodig wij elkaar hebben. Daarom loopt Jezus niet snel aan de melaatse man voorbij, zoals al die anderen dat wel doen. ‘Waar je mee omgaat, wordt je mee besmet’, zo werd er naar hem gekeken. Jezus is anders. Hij blijft staan als de man naar Hem toe komt.

En wij? Mijden wij mensen, of durven we elkaar aan te kijken? Durven wij de confrontatie aan met hen die anders zijn door ziekte, of door hun bijzondere levensverhaal, of door wat dan ook? Of blijven we liever in onze eigen kring, zonder te gaan naar hen die het juist nodig hebben? Kijk eens naar Jezus. Kijk wat Hij doet! Hij krijgt medelijden als Hij de melaatse man ziet.

Medelijden heeft in onze taal een wat andere klank gekregen dan de oorspronkelijke betekenis. Medelijden betekent namelijk veel méér dan iemand sneu of zielig vinden. Nee, medelijden betekent dat je bereid bent om mee-te-lijden. Compassie opbrengen dus. Dat is nogal wat.

Jezus doet dat, Hij kiest ervoor om echt met deze man mee te lijden, door hem aan te raken. Moet je nagaan wat Hij doet: het aanraken van een melaatse betekent dat je zelf ook onrein wordt. Deze man was in tijden niet meer aangeraakt; dat maakt die aanraking van Jezus alleen al bijzonder. En wat het nóg mooier maakt, is dat deze man na zijn aanraking meteen genezen is. Een groot wonder.

Gods liefde en genade wordt in de aanraking èn in de genezing van de melaatse man zichtbaar. Niet alleen vanwége dat wonder van genezing, maar óók omdat Jezus het voorbeeld geeft van compassie.
Compassie, het mee lijden met de ander, vraagt wel wat van je. Voor Jezus betekent het in dit verhaal, dat Hij het lot van deze man deelt. Het isolement van de melaatse man, treft nu ook Jezus. Daarom zoekt Hij de afzondering, buiten de stad. Niet alleen vanwege al die mensen, die steeds maar naar Hem toe komen, maar ook omdat Hij, na die aanraking, niet meer in de stad mocht zijn.

Die compassie van Jezus ging nóg veel verder. Zijn wil om mee te lijden, was zó groot, dat Hij aan het kruis al het lijden van de wereld op zich nam. ‘Hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam’, lezen we daarover in Jesaja 53. Al onze zorgen, zonden en lasten nam Hij op zich.

Dit verhaal, waarin Jezus de plaats van de melaatse man inneemt, wijst vooruit naar Golgotha. Door zijn dood aan het kruis wil Hij de plaats innemen van ons, van alle mensen. Zijn compassie, zijn mee-lijden is daardoor zó groot, dat Hij ons lijden, ons verdriet, onze pijn kent. Dat is een grote troost.

Ja. Hij begrijpt jou, Hij is bij je en raakt je aan met zijn grote liefde en trouw. Dát te weten verandert je situatie niet meteen, maar je verandert zèlf in die situatie. Het geeft kracht en moed om door te gaan.

Geliefde aanwezigen en luisteraars thuis, Jezus leert ons medelijden te hebben, niet alleen in dit verhaal, maar het hele evangelie door. Of beter gezegd: Hij leert ons compassie. Hij vraagt van u en jou en mij om, net als Hij, onze medemens te zien, elkaar lief te hebben, met elkaar mee te lijden. Dat is zijn opdracht aan ons. Hoeveel compassie breng jij op voor de ander?

Amen.

 

Plaats een reactie