ds. Gert van de Meeberg: ‘Ik ga op reis en neem mee ….’ n.a.v. Marcus 6: 6b-13

*  Alle-Dag-Kerk, 4 maart 2015  *

Voorganger: ds. Gert van de Meeberg, Halfweg-Zwanenburg

‘Ik ga op reis en neem mee ….’ n.a.v. Marcus 6: 6b-13 (NBV 2004)

Uitzending van de twaalf leerlingen
Hij trok rond langs de dorpen in de omtrek en onderwees de mensen. 7. Hij riep de twaalf bij zich en zond hen twee aan twee uit, en gaf hun macht over de onreine geesten. 8. Hij droeg hun op niets mee te nemen voor onderweg, geen brood, geen reistas en geen geld, alleen een stok. 9. Sandalen mochten ze wel dragen. ‘Maar,’ zei hij, ‘trek geen extra kleren aan.’ 10. En ook zei hij: ‘Als jullie ergens onderdak krijgen, moet je daar blijven tot je verder reist. 11. Maar als jullie ergens niet welkom zijn en de mensen niet naar jullie willen luisteren, moet je daar weggaan en het stof van je voeten schudden ten teken dat je niets meer met hen te maken wilt hebben.’ 12. Ze gingen op weg en riepen de mensen op om tot inkeer te komen, 13. en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen.

• Meditatie
Geliefde aanwezigen, geliefde luisteraars thuis,
Ik ga op reis en ik neem mee… Ik weet niet hoe dat bij u gaat, als u op reis gaat, maar ik neem standaard te veel mee. Dat ene boek gaat tóch maar de koffer in, ook al heb ik genoeg te lezen. Je weet maar nooit. Of die extra trui zou best eens nodig kunnen zijn. En niet te vergeten: wat te eten en te drinken en genoeg geld om wat te kunnen kopen.
Daarom valt het mij zo op, dat de twaalf leerlingen niets mochten meenemen. Geen extra kleding. Geen brood voor onderweg. Geen geld om wat te kunnen kopen. Niets van dat alles wat ik juist wèl mee zou nemen.
Alleen een stok, dat gelukkig wel. Die hadden ze nodig om wilde dieren of struikrovers weg te jagen. En zo’n stok is ook goed om op te steunen, vooral als je door heuvelachtig landschap moet lopen.
Maar minimaal is het wel, alleen een stok en de kleding en sandalen die je aanhebt.
Ik weet niet of ik dat wel zou kunnen.
En u en jij? Zou je zo op reis kunnen gaan?
Ik denk dat het mens-eigen is om van alles voor te willen bereiden, om van alles mee te willen nemen. Zo doen we dat meestal. Niet alleen als we op reis gaan, maar ook als we naar onze reis door het leven kijken. Vaak zeulen we van alles met ons mee in die denkbeeldige koffer van ons. Het maakt het lopen er niet makkelijker op.
Denk maar eens aan de zorgen die we met ons meedragen. Natuurlijk, zorgen hebben we van tijd tot tijd, dat hoort helaas bij het leven. Maar is het de bedoeling dat we alles, ook de zorgen waar we niets aan kunnen doen of de zorgen die achter ons zijn, toch nog in onze koffer meenemen?
Verder denk ik aan de ballast van ruzies of andere fouten die we maken. Ook dat kan een zware last zijn om met je mee te dragen.

En wat te denken van angst! Voor velen is dat een groot stuk bagage. Angst voor de toekomst: hoe moet het verder met onze wereld? Angst voor mensen: wat zullen ze wel niet van me denken? Angst voor ouder worden: zou ik gezond blijven?
Zorgen, fouten die we maken, angst voor noem het maar… dat alles maakt onze koffer alleen maar zwaarder. En veel bagage wordt ballast, die als onreine geesten of demonen voor je kunnen zijn. Daardoor loopt het leven niet goed.
Het neemt bezit van je gedachten. ‘s Nachts lig je wakker, overdag kun je niet goed genieten van de mooie dingen, die er ook zijn. En vooral: die ballast houdt je weg van God en dat is precies wat Zijn tegenspeler wil bereiken.
Wat zou het een verademing zijn als wij al die ballast uit onze koffer zouden halen. Maar dat kunnen we niet zelf. Daar hebben we geloof voor nodig, vertrouwen in God die ons bevrijden wil van alles wat onze reis zwaar maakt.
En dat geloof in God die bevrijdt van de zwaarste last, moet ons aangezegd worden. Daarom moeten we het elkaar vertellen dat het niet goed is zoveel ballast met je mee te dragen. Dat je alles wat je gedachten en handelen belemmert en bezet houdt, in gebed bij God mag brengen.
Precies dát, het vertellen van Gods goede en bevrijdende boodschap, én het bidden voor elkaar, gaan de twaalf leerlingen van Jezus doen. Zo zullen ze mensen bevrijden van onreine geesten en demonen, van alles wat beklemt en bezwaart, door ze bij God te brengen. Jezus geeft hen die macht.
Maar ze moeten eerst bij zichzelf beginnen. Daarom mogen ze niets meenemen op hun reis. Alle extra bagage, symbool voor de ballast van zorgen, zonden en angsten, moeten ze achter laten bij Jezus. Het is voor hen een oefening in geloofsvertrouwen, een oefening in loslaten van hetgeen je beklemt en bezwaart, een oefening in eenvoud in plaats van rijkdom die je kan beheersen.
Zo stuurt Jezus zijn twaalf leerlingen er op uit om Gods goede nieuws te verkondigen, om te bidden met mensen en hen te bevrijden van bezetenheid, om zieken te zalven met olie en hen te genezen. Het was een opdracht die één of enkele dagen in beslag zou nemen. Daarna komen ze allemaal weer bij Jezus terug om Hem te vertellen hoe het gegaan is.
Gelukkig hoeven ze niet alleen te gaan. Jezus zendt hen twee aan twee uit. Zo hebben ze steun aan elkaar. Dat zien we trouwens tot in onze tijd terug; sommigen van u kunnen zich nog wel herinneren dat er vroeger twee ouderlingen samen op bezoek kwamen.
Een gemakkelijke tocht zal het niet geweest zijn. Het viel niet mee om alleen maar met een stok in je hand op weg te gaan. Daarbij zal niet iedereen hen gastvrij ontvangen hebben. Gods goede boodschap van liefde en bevrijding wordt niet door iedereen omarmd.
Jezus geeft hen daarom een wijze raad mee: Als ze niet welkom zijn en men niet wil luisteren naar hun goede boodschap, dan moeten ze daar weggaan en het stof van hun voeten schudden.
Dat stof van je voeten schudden was een bekend gebruik in het Jodendom; als een Jood een heidens gebied verliet, maakte hij zijn voeten stofvrij. Daarmee werd symbolisch aangegeven dat hij het heidendom achter zich liet en er niets van mee wilden nemen.

‘Stof afschudden’ betekent in dit verhaal óók dat de twaalf het negatieve oordeel van anderen niet met zich mee hoeven te dragen. Jezus zegt hiermee ‘trek het je niet teveel aan, laat hetgeen onvriendelijke en ongastvrije mensen zeggen los en laat hen eenvoudig achter je’.
Dat valt trouwens niet altijd mee om mensen die onvriendelijk tegen je zijn achter je te laten. Voor je het weet neem je ergernis of angst voor afwijzing mee in je koffer en wordt het een extra last om te dragen.
Die angst voor negatieve oordelen is een herkenbare angst in onze tijd. Maar hoe kun je nu, als je bang bent om afgewezen te worden, vrijmoedig vertellen van het evangelie?
Lang niet iedereen zit erop te wachten dat je vertelt over je geloof in God. Dat je vertelt van Jezus en zijn bereidheid om ieder mens te bevrijden van onreine geesten, van alles wat ons belast en balaagt.
Maar moet dat ons er van weerhouden om het geloof uit te dragen?
Nee, zeker niet.
Vertel aan elkaar wat het geloof in God, voor u, voor jou op de reis door het leven betekent. Niet met te grote woorden of terechtwijzingen. Vertel juist over Gods liefde en geef Zijn liefde door, door zelf lief te hebben. Dat zal doorwerken, zoals een klein beetje gist een hele zak meel kan doordringen. Of zoals een klein steentje grote kringen vormt als het in het water wordt gegooid.
Wees ook eerlijk over je eigen ballast. Ga bij jezelf na of er iets dwars zit dat een grote last vormt. Laat het je niet, als een onreine geest, in bezit nemen. Laat die ballast bij Jezus achter, net zoals de twaalf leerlingen al hun ballast bij Hem achterlieten, en vertrouw erop dat Hij je wil bevrijden van al je zonden en lasten. Dan loop je echt een heel stuk lichter!
Dus, ik ga op reis en ik neem mee… een lege koffer! Zo mogen óók wij verkondigers zijn van Gods goede en bevrijdende boodschap van liefde en genade. Zullen we op weg gaan?
Amen.

Plaats een reactie