ds. Henk Leegte (Amsterdam): “Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft – trouw zijn aan je roeping”, n.a.v. Johannes 12: 20-30

*  Alle-Dag-Kerk Amsterdam, Middagpauzedienst 17 maart 2021  *

Bij de geluidsopname ontbreekt een deel van de Schiftlezing.

Voorganger: ds. Henk Leegte (Amsterdam)

Thema: “Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft – trouw zijn aan je roeping”, n.a.v. Johannes12: 20-30

20 Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden. 21Zij gingen naar Filippus uit Betsaïda in Galilea, en vroegen hem of ze Jezus konden ontmoeten. 22Filippus ging dat te­gen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus. 23Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensen­zoon tot majesteit wordt verheven. 24Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. 25Wie zijn leven lief­heeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven. 26Wie mij dient moet mij volgen: waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader ge­eerd worden.27Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen. 28Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.’ 29De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen hem gesproken had. 30Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor mij gesproken, maar voor u.

Overdenking

Zusters en broeders, luisteraars,

Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.” Dat zijn zo van die Bijbelwoorden waarvan je toch eigenlijk metéén hoort dat ze gaan over het geheim van Jezus’ leven, en over het geheim van Jezus’ dood. Wat Jezus hier zegt, bij monde van Johannes, dat is geen aardig idee, of interessante vondst, nee, je hoort er een woord in, gesproken vanuit de diepte van de aarde, wat wordt bekrachtigd met een stem uit de hemel, die er ‘ja en amen’ op zegt. Wat in deze scène gebeurt, is iets tussen Jezus en God, én (zegt Jezus erbij) iets tussen ú en God: “Die stem heeft niet voor mij gesproken, maar voor u. Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, zo blijft zij alleen, maar indien zij sterft, zo draagt zij rijke vrucht”.

En wat ik nu vanmiddag wilde doen, is proberen eerst kort met u terug te gaan in de tijd, en ons het moment proberen voor te stellen in het verhaal, dat het door Jezus werd gesproken. Om ver­volgens ernst te maken met dat woord, dat die stem aan het eind er niet voor hèm was, maar voor ons. Om zo te kijken hoe dit woord niet alleen in ons léven iets te zeggen heeft, maar misschien ook wel in onze dood

En als we dan om te beginnen inzoomen op de scène van het verhaal van vanmorgen, dan treffen we Jezus aan buiten op het tempelplein, op de dag die later Palmzondag zou genoemd zou gaan worden: Jezus was Jeruzalem binnengetrokken, de mensen hadden ‘hosanna’ geroepen, maar ze wisten niet wat ze riepen, ze hadden zich verkeken op die gestalte op dat ezeltje. En juist op het moment dat (om het zo maar eens te zeggen) de deur naar het volk en de deur naar de tempel voor Jezus in het slot lijkt te vallen, op het moment dat de weg bijna dood lijkt te lopen, gaat er plotseling voor Jezus een nieuwe deur open, en komen er een paar Grieken. De scène doet denken aan het verhaal van de drie wijzen uit de kersttijd: ze hebben in de verte van Jezus gehoord, hebben zijn ster gezien, en zijn gekomen om hem te aanbidden. Je zou er bijna een verwarrende uitnodiging in zien, om naar Griekenland te komen. Althans een uitnodiging aan Jezus om zich af te wenden van de weg die hij aan het gaan is. Zoals die stem eerder in zijn leven, die hem alle koninkrijken van de wereld bood als hij díe stem zou gehoorzamen. De in-de-war-schopper, toen, die veertig dagen in de woestijn.

Jezus is opnieuw in grote verzoeking: “Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan?” “Maar dat kan ik toch niet zeggen? Dan ben ik mijn roeping ontrouw. Want het is toch mijn roeping om déze weg te gaan. Wat zeiden die Grieken ook al weer? Israël, dat zijn profeten doodt, zullen ze ook mij…? Wat moet ik doen? Wat wacht me hier? Of wat moet ik bij hen, met mijn ziel onder mijn arm? Wat baat ’t dat ik de hele wereld zou winnen, maar schade zou lijden aan mijn ziel? Zal mijn leven op andere wijze vruchtbaar kunnen zijn? Ja, maar hoe zal het híer dan vruchtbaar zijn! Onder de grond ga je. Is dat de weg? In zelfverloochening tot het einde gaan, en verder ‘God zegene de greep’? Zal de Eeuwige je vasthouden? Onder de grond ga je. Of zal het zijn zoals met de graankorrel, die onder de grond gaat, maar zó vrucht draagt. Van God los wil ik niet zijn, ’k wil van u niet scheiden, Heer, leer mij de weg van het graan, waarachtig, als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.”

Ik stel me zo voor dat ze in de hoge hemel hierboven hun adem hebben ingehouden van spanning, hoe of deze worsteling van binnen zou aflopen. “Zijn ziel is ontroerd, wat zal hij zeggen?” En áls hij het dan uiteindelijk gezegd heeft, dat geweldige woord van die graankorrel, dan roepen ze kei­hard ‘Hosanna!’, daarboven in de hemel, en sommigen op aarde zeggen: “Luister, het onweert”. Terwijl anderen zeggen: “Hoor, een engel”.

Best geestig beschreven van Johannes, om het op deze wijze te beschrijven. Sommige mensen horen nooit iets uit de hemel, behalve af en toe een onweersklap. En anderen, die getuige zijn van een zielenstrijd bij Jezus, stamelen iets over een engel, als uitdrukking van hun gevoel dat ook hier op één of andere wijze de Eeuwige bij betrokken was. “Hoor, een engel”, zeggen ze. “Inderdaad”, zegt Jezus, “en hij heeft het tegen jullie”.

En, daarmee zijn we bij het tweede waar ik het over wilde hebben. Want dat diepzinnige woord over het graan in de aarde vertelt ons niet alleen iets van de levens- en stervensweg van Jezus, maar wil ons kennelijk ook iets zeggen, op ónze levens- en stervensweg.

En dan denk ik bij sterven niet alleen aan iets dat aan het einde van ons leven op ons wacht, maar eerder aan iets dat ook nu al in ons hele leven aanwezig is. Een mens moet zijn leven lang dingen afstaan, en opgeven: je jeugd, je werkkracht, steeds zijn er momenten dat je iets van jezelf moet prijsgeven. Er worden je levensomstandigheden opgedrongen waar je niet om gevraagd hebt, alles gaat anders dan je had gedacht. Een plotselinge ziekte, een ongeluk, iets van 1 seconde soms, en je leven neemt een keer. En dat is allemaal een beetje sterven. Een aantal vertrouwde en heilige zekerheden komen je te ontvallen, en dat doet pijn. Of je vertrouwen in mensen wordt beschaamd, wie zoiets meemaakte herkent het denk ik wel, als een soort van sterven. Iemand met wie je be­vriend was, jarenlang, zo iemand kun je ook weer verliezen, niet alleen aan de dood bedoel ik nu, maar ook aan het leven – je bent uit elkaar gegroeid, kunt elkaar niet meer bereiken, woorden ko­men niet meer over, gevoelens worden niet meer gedeeld. Of je kunt een ander met zijn of haar problemen niet meer áán – je zou het wel willen dat je het kon, maar een mens kan niet alles – je stuit op onvermogen – en je moet loslaten. Iets van sterven, is ook dat. Of je ziet hoe je kinderen, die je naar je beste vermogen en zo goed als jij dat kon hielp, grootbrengen, hun eigen wegen gaan. Maar het zijn in jouw ogen heilloze wegen, en in de stilte voel je je diepongelukkig.

Zo voelen we ons denk ik allemaal af en toe door de grond gaan, een klein beetje nederdalen ter helle. Als iemand zich gaat realiseren hoeveel kansen en mogelijkheden voorgoed en onherroepelijk voorbij zijn. Je weet dat je je niet teveel illusies meer hoeft te maken, je kunt niet meer álles ver­wachten. Je weet: dit is het nu wel zo’n beetje, míjn leven, zo zit het met mij, je weet een beetje wie je bent, je weet wie je niet meer kunt wórden, je moet je verder maar houden aan wat je hebt en je op verder verlies voorbereiden.
Ieder van ons kent deze dalen in het leven, dat durf ik wel te zeggen. In de omgang met anderen en in de omgang met jezelf, en ook al vertrouw je op iets eeuwigs, en heb je daar als christen zelfs meer woorden voor, de Eeuwige, God, ook dan blijft een mens niet gevrijwaard van crisismomenten. Die ogenblikken dat je je zo machteloos voelt, zo sterfelijk, en nietig.

Alleen roept de geloofstraditie waar wij in de kerk op proberen te vertrouwen, ons wèl op om niet in de droefheid daarover te blijven steken, en dat halen we onder andere uit dat woord van Jezus over die graankorrel. Want dat is een geweldig woord, dat spreekt van een belofte. Het roept op om erop te vertrouwen dat een mens ondanks alle verlieservaringen toch weer het leven kan vinden. Er op te vertrouwen dat de weemoed, die donkere grondtonen in het leven voor iedereen die over het leven nadenkt, dat die niet het laatste woord hebben. De graankorrel sterft namelijk niet tever­geefs, staat in de oude vertaling, want er komt leven van. Wonderlijk is dat, en haast niet te geloven.

Maar toch, soms merk je er iets van. Komt een mens na een strijd met een steviger zelf tevoorschijn. Of merk je dat een crisis naast pijn ook onvermoede krachten in jezelf heeft losgemaakt. Ik hoor dat echt erg vaak, en dat soort verhalen maken me stil. Mensen die erg ziek zijn geweest, mensen wier relatie een mislukking dreigde te worden, mensen die een geliefde verloren, mensen die de verschrikkingen van de oorlog meemaakten, ze vertellen je soms ook dat ze alleen, of samen, door die op zichzelf bittere en verdrietige ervaringen toch rijker geworden zijn, gegroeid zijn. Milder zijn geworden, en wijzer. Meer mens, meer medemens. De ervaring van ‘ik ben er door gekomen’ ver­mengt zich dan met de ervaring ‘ik ben er vérder door gekomen’. Ook al draaien ze het gelukkig nooit om, liever hadden ze het lijden natuurlijk niet meegemaakt. Maar nu het zo was, blijkt het soms zo door te werken.

Een aantal illusies moest je prijsgeven. Bijvoorbeeld dat je altijd jong zou blijven, dat je altijd sterk zou zijn, en evenwichtig, of dat jóuw huwelijk één bron van vreugde zou zijn. Een aantal illusies heb je prijs moeten geven, maar je bent er ook échter van geworden. Meer mens. En vorige week vertelde iemand hoe zij daar ook geloviger van was geworden. Nog steeds met een haast kinderlijk vertrouwen, maar niet meer met het geloof zoals ze dat als kind had gehad, want toen kende ze het verdriet, en de aanvechting nog niet.

Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graan­korrel, maar wanneer hij sterft, draagt hij veel vrucht. Die stem heeft voor ú gesproken”. En waar het dan over gaat, noemen we in de taal van Schrift en kerk: ‘opstanding’. Opstanding: niet alleen een begrip voor eens, ooit, maar ook voor nu. Een mens kán opstaan uit zijn graf, kan ‘opnieuw ge­boren worden’. De grote Luther kraste op het op zijn schrijftafel op de Wartburg, na een moment van grote twijfel en aanvechting en verzoeking: Je bent gedoopt! Je bent kopje onder gegaan, maar je bent er doorgekomen. Kijk maar naar Jezus, die die door de ergste crisis heen is gegaan, maar er doorhéén is gegaan, erop vertrouwend dat de trouw van de Eeuwige sterker zou zijn dan alle dood.

Ik hoop voor vanmiddag één ding, en misschien klinkt het te vroom, maar beter kan ik het niet zeg­gen, dat dat woord van vandaag, dat woord van Jezus, door de Eeuwige zèlf bekrachtigd toen het Pasen werd, dat u en ik daarvan in leven en sterven mogen weten, voelen, ervaren dat het niet maar wat onweer boven onze boze hoofden is, maar dat het ons wordt aangedragen door een engel van God zelf. Nergens om, zomaar, voor ons, om onzentwil. Moge dat zo zijn.

Amen