ds. Jannie Nijwening: “Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend”, n.a.v. Filippenzen 4: 4-7

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 11 mei 2016  *

Voorganger: ds. Jannie Nijwening, Den Haag

“Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend”, n.a.v. Filippenzen 4: 4-7

Geliefde gemeente, mensen van God,
Ik groeide op in een huis met vele bijbels.
Naast mijn bed lag een bijbeltje, waarin ik met enige regelmaat voor het slapen gaan las. Ik probeerde de hele bijbel door te werken van begin tot eind, maar dat bleef bij proberen. Ik wilde graag een mooie gedachte meenemen, de nacht in, en eerlijk gezegd vond ik niet alles mooi en inspirerend. En zo bladerde ik door. Met ergens ook met een licht schuldgevoel, omdat ik niet alles uit de Heilige Schrift kon waarderen. En dat zou toch eigenlijk wel moeten…

Een regel die me trof en die met me meegaat zijn deze woorden van Paulus uit de brief aan de Filippenzen: “Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend.”
Dat leek me een mooi levensmotto.
Het zou toch prachtig zijn wanneer mensen, als ze het over je hebben, als eerste tegen elkaar zeggen: “Ja, dat is zo’n vriendelijk persoon, zo’n aardig mens!”
Later bleek het allemaal toch wat minder eenvoudig.
Vooral toen ik in opleiding was tot psychiatrisch verpleegkundige en we tijdens deze training ook bereid moesten zijn om de blik naar binnen te richten.
Al het vanzelfsprekende werd voorzien van een groot vraagteken.
De vraag: ben ik werkelijk aardig of is het alleen de buitenkant en durf ik al het andere niet te laten zien?
En: ben ik niet alleen maar vriendelijk omdat ik hoop dat ik op die manier ook zelf vriendelijkheid zal ontmoeten? Is het alleen maar mijn angst voor conflicten, die maakt dat ik zo aardig doe, zo aangepast?
En als mijn motivatie angst is, is vriendelijkheid dan nog wel een deugd?
Het werd steeds complexer!
Als leerling-verpleegkundigen werden we geacht zaken te leren die compleet nieuw voor me waren: je eigen grenzen aangeven, voor jezelf opkomen, je vrouwtje staat: alles wat indruiste tegen wat mijn ouders en Paulus me hadden voorgehouden.
Toch bleven de woorden me vergezellen: “Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend.”
Woorden die natuurlijk in eerste instantie helemaal niet tot u of tot mij zijn gericht maar in een brief staan die Paulus rond het jaar 57 schreef aan de mensen van de weg van Jezus, de christelijke gemeente, in Filippi.
Paulus schrijft deze woorden terwijl hij zelf in de gevangenis zit, vervolgd en opgepakt vanwege zijn geloofsovertuiging.
Deze context geeft de woorden een speciale lading.
Paulus is zijn leven niet zeker.
Voor ons is het moeilijk ons te verplaatsen in Paulus’ situatie, in levensgevaar omdat we op zondag of op woensdag naar de kerk gaan.
Voor christenen in o.a. Syrië, Irak en Pakistan is dit echter de harde realiteit: er zijn plaatsen in de wereld waarin het vandaag de dag levensgevaarlijk is om christen te zijn.
Als wij in de cel zouden zitten, wat zouden wij schrijven aan onze zusters en broeders? Wat zou in die omstandigheden onze boodschap zijn?
Ik probeerde het me voor te stellen…
Misschien zou ik schrijven: vlucht! Ga ondergronds, hou je gedeisd tot er betere tijden komen. En zeker ook: probeer mij vrij te krijgen.
Dat soort zaken komt als eerste bij me op en het is alles gericht op zelfbehoud.
Maar die gekke Paulus is daar helemaal niet mee bezig.
Hij houdt zijn mensen vanuit zijn benarde situatie voor dat ze vriendelijk moeten zijn. Paulus wil dat als de mensen in Filippi het hebben over de christelijke gemeente, dat ze dan meteen tegen elkaar zeggen:
“O ja, ik ken ze, dat zijn die vriendelijke mensen!”
Dat vindt Paulus dus het allerbelangrijkste; dat christenen opvallen door hun vriendelijkheid.
Deze woorden – “Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend” – zijn niet in eerste instantie gericht tot u en mij maar wel in tweede instantie.
Als wij, net als degenen aan wie Paulus zijn brief schrijft, willen horen tot een christelijke gemeenschap, tot de groep mensen die iets met Jezus hebben, dan overbruggen deze woorden de eeuwen en roepen zij ons vandaag in Amsterdam op: wees mensen die bekend staan om hun vriendelijkheid!

Nu staan deze woorden natuurlijk niet op zichzelf.
Paulus laat er meteen op volgen: “De Heer is nabij.”
En de woorden, die Jezus zijn leerlingen zo vaak voorhield: “Wees niet bezorgd.” Wees niet bang, want je bent in goed gezelschap. De Heer is bij je. En je kunt tegen God altijd alles zeggen. Je mag vertrouwen. Je mag je ontspannen, je hoeft niet onvriendelijk te zijn.
De oproep om vriendelijk te zijn: het zal de ene mens van nature een beetje makkelijker afgaan dan de ander, maar we kunnen ons erin oefenen.
Vorige week was het hemelvaart.
Als Jezus afscheid neemt van zijn leerlingen zegt hij niet:
“ga de hele wereld bekeren zodat ze allemaal in mij gaan geloven,” maar: “maak alle volkeren tot leerlingen van mij.”
Wij zijn leerlingen van Jezus en wat we leren op zijn school, in zijn leerhuis, dat is een levenshouding van liefde, vriendelijkheid, vertrouwen.
De Drentse zanger Daniel Lohues zingt in een van zijn liedjes: “Aordig doen tegn mensn die niet aordig doen, want die binn aordigheid het hardste nödig.”
Je moet vriendelijk zijn tegen mensen die niet vriendelijk zijn, want juist zij hebben vriendelijkheid het meest nodig.
Daarin hoor ik Jezus, de leraar van Paulus.
Het is een les voor gevorderden: vriendelijk zijn tegen mensen die onvriendelijk of erger zijn… Niet de onvriendelijkheid teruggeven maar de cirkel van onvriendelijkheid doorbreken.
Als het toch eens zo zou zijn dat mensen, wanneer ze spreken over christenen, dit zouden zeggen: “O ja, dat zijn die vriendelijke mensen. Het is een echte vriendelijkheid die van binnenuit komt, een bewuste keuze om zo in het leven te staan.”
Zo ver is het nog niet. Maar we mogen leerling blijven. En ontdekken dat we soms vooruitgang boeken en dat er mooie dingen gebeuren in de wereld als we ons oefenen in vriendelijkheid.

Amen.