ds. Marco Visser over Genesis 50: 15-26

*  Alle-Dag-Kerk, 29 oktober 2014  *

Voorganger: ds. Marco Visser, Heemskerk

over Genesis 50: 15-26

Wij lezen in deze middagpauze zomaar even het slot van het boek Genesis. Het verhaal van Genesis begint met de schepping van de hemel en de aarde, en eindigt met een kist in Egypte.

Het slot van dit eerste Bijbelboek is ook het slot van het verhaal over Jozef. Vader Jakob heeft 12 zonen. En met 1 van die zonen is iets aan de hand. Dat is een vreemdeling onder de 12. Jozef. Vader Jakob heeft Jozef zozeer lief, en zozeer liever dan de andere zonen, dat hij hem een veelkleurige koningsmantel geeft. De broers gingen hem haten, zo staat het er indrukwekkend aan het begin van het verhaal. Nadat ze afzien van hun moordplannen, gooien ze Jozef in een put. Waarna hij verkocht wordt als slaaf naar Egypte.
Daar blijkt Jozef echter toch gezegend te worden. Ongelofelijk dwars tegen alles in wordt Jozef hoger en groter in Egypte, totdat hij bijna Farao is. Velen van u kennen het verhaal: uiteindelijk ontmoeten de broers en Jozef elkaar weer. Eind goed al goed!
Of toch niet? Is het misschien toch nog niet zo’n happy end als je zou denken? Dat is waar de broers mee zitten, als vader Jakob sterft.

Dan gaat het zo verder: Genesis 50:15-26

15. Toen Jozefs broers onder ogen zagen dat hun vader dood was, zeiden zij: Als Jozef nu maar niet vijandig tegen ons wordt en al het kwaad dat wij hem hebben gedaan, op ons terug laat komen!
16. Zij gaven iemand de opdracht om tegen Jozef te zeggen: Je vader heeft de opdracht gegeven, voor zijn dood:
17. “Zo moeten jullie tegen Jozef zeggen: Ach,vergeef toch het vergrijp van je broers en hun zonde, ja, het kwaad dat ze je hebben gedaan.”
Nu, vergeef toch het vergrijp van de knechten van de God van je vader! Jozef weende bij deze woorden, die tot hem gericht waren.

18. Toen gingen de broeders ook zelf en vielen vóór hem neer en zeiden: Hier zijn wij, knechten voor jou!
19. Jozef zei tegen hen: Wees niet bevreesd! Want zou ík Gods plaats innemen?
20. Jullie hebben kwaad tegen mij berekend. God heeft het omgerekend ten goede om te doen zoals vandaag het geval is: een groot volk in leven houden.
21. En nu, wees niet bevreesd! Ikzelf zal jullie en jullie kroost blijven verzorgen. Zo troostte hij hen en sprak tot hun hart.

22. Jozef woonde in Egypte, hij en het huis van zijn vader. Jozef leefde honderdtien jaar.
23. Jozef zag van Efraïm de zonen tot in de derde generatie. Ook de zonen van Makir, de zoon van Manasse, werden geboren op de knieën van Jozef.

24. Jozef zei tegen zijn broers: Ik ga sterven. Maar God, hij zal het zeker voor jullie ópnemen. Hij zal jullie doen opgaan uit dit land naar het land dat hij heeft toegezworen aan Abraham, Isaak en Jakob.
25. Jozef liet de zonen van Israël zweren: Als God het dan zo voor jullie ópneemt, dan moeten jullie mijn gebeente doen opgaan van hier.

26. Jozef stierf, honderdtien jaar oud. Men balsemde hem en men legde hem in een kist, in Egypte.

Zonder de pretentie dat we het allemaal even in kannen en kruiken kunnen gieten in deze twintig minuten, wil ik een paar opmerkingen maken bij de tekst.

I
Het eerste wat mij opvalt, is dat de schuld zo openlijk op tafel ligt in dit verhaal. Dat zie je trouwens ook op veel andere plekken in de Bijbel: het gaat erover dat mensen schuldig worden aan elkaar. De Bijbel neemt dat aan alle kanten ongelofelijk serieus: dat het tussen mensen mislukt. Dat mensen falen, hun doel voorbij schieten, niet de weg gaan die ze zouden moeten gaan.
In onze kerkelijke traditie is dat soms wel héél erg benadrukt, de schuld, de zonde, zo dat mensen daaronder gebukt gingen en een gevoel kregen van minderwaardigheid en er-niet-mogen-zijn.
Maar de tekst wil, geloof ik, niet hameren op de schuld, om er maar op te hameren. Maar wil het benoemen en erkennen.

En dat benoemen en erkennen, dat zou wel eens heel bevrijdend kunnen zijn. Ik hoorde eens het verhaal van een vrouw die haar kind iets verschrikkelijks aangedaan had. (Ik moest er nog weer extra aan terugdenken, toen vandeweek dat bericht in het nieuws was over een baby, die in een vuilniscontainer gegooid was…) En toen zij daarvoor in de gevangenis zat, werd ze behandeld door verschillende psychotherapeuten. Steeds vroeg de vrouw aan hen: ‘Ben ik schuldig?’ De therapeuten raakten in verlegenheid, misschien uit angst om hard-oordelend over te komen. En ze begonnen al gauw over haar eigen jeugd, over wat haar was aangedaan, en over haar onvermogen om voor haar kinderen te zorgen. De vrouw wilde met hen niet praten. Totdat er een andere therapeut kwam, die haar eenvoudig zei: ‘Ja, je bént schuldig. Dat is zo, en dat zal altijd zo blijven.’ Meer zei hij niet op dat moment. En de vrouw zei: ‘Met u wil ik praten.’

Benoemen, erkennen. Het verkeerde, het de-mist-in-gaan, de schuld komt open op tafel in de Bijbel. Maar nogmaals, niet als hardheid om de hardheid. Maar heilzaam…

II
Zo komen de broers bij Jozef, nadat vader Jakob weggevallen is. Misschien ook wel herkenbaar trouwens: de samenbindende figuur is er niet meer, de verhoudingen worden onzeker, gaan weer schuiven. Zo komen daar die broers bij Jozef. Niet direct, ze sturen eerst een boodschapper…

Dat is opmerkelijk: een paar hoofdstukken hiervóór had Jozef al gezegd, dat het wat hem betreft nu goed is… Kennelijk is het niet zo gemakkelijk om het af te sluiten, het blijft hangen. Er moet nog iets gezegd worden. Als allerlaatste moment van het héle verhaal moet dit nu toch nog een keer op tafel komen: kunnen wij als broeders echt met elkaar verder? Het laatste en misschien ook wel beslissende punt van de héle Jozefgeschiedenis, is de vraag: kunnen wij echt met elkaar door, gaan we het weer redden als mensen met elkaar? Is er echt een nieuw begin?
En je hoort de dringendheid in de vraag die de broers met een boodschapper voor hen uit sturen: Vergeef toch! Tot twee keer toe horen we die roep, het lijkt wel een smeekgebed, een tussenmenselijke liturgie: Ach, vergeef toch!

En Jozef weende…
Indrukwekkende zin: Jozef weende bij deze woorden… Er staat trouwens niet bij wat voor tranen dit zijn, dat blijft open. Zijn het tranen van spijt, van pijn om wat er gebeurd is, van mee-leven met de pijn van de broers…?

III
Maar dan komt Jozef aan het woord. En het is enorm opvallend wat hij dan zegt. Allereerst trouwens wat hij níet zegt. Hij zegt niet: ‘Jongens, zand erover, vergeten en vergeven.’ Hij zegt ook niet: ‘Jongens, ik heb er nog eens over nagedacht. En ik vind dat ik ruimhartig moet zijn: ik vergeef jullie.’
Nee, zijn woorden maken een geweldige beweging: namelijk de beweging van de aarde naar de hemel: Zou ik Gods plaats innemen? Alsof hij zegt: voor dat nieuwe begin moet je niet bij mij zijn.

Jullie hebben kwaad tegen mij berekend, God heeft het ómgerekend ten goede.

Dit zijn zinnen om op te kauwen, om mee rond te lopen: het kwaad dat er gedaan is, God heeft het omgekeerd, omgerekend… Wat wil dat precies zeggen?

Ik ga dat wat openlaten. (Voordat u denkt: nu komt er even een lekker stevige verkondiging aan…) Ik wil het wat open laten. Het niet dicht plakken. Ik vind dat we moeten oppassen voor al te gemakkelijke zinnen, al te platte zinnen als: God maakt het kwade altijd wel weer goed… Of: God kan ook met een kromme stok een rechte slag slaan. Al te vrome, gemakkelijke zinnen.
Voor je het weet, heb je er een systeem van gemaakt, een leer, een dogmatiek. Maar ik geloof eigenlijk dat het hier gaat om een ongelofelijk wonder. Wat Jozef hier zegt, dat is geen theorie, maar bijna een lied. Een uitroep van verwondering. Iets wat je niet vooraf kunt incalculeren. Maar wat alleen maar achteraf, terugkijkend, uitgeroepen, uitgezongen kan worden…

Jullie hebben kwaad tegen mij berekend, God heeft het ómgerekend ten goede.

Jozef brengt ons daarmee in de sfeer van de boekhouding. In de boeken staat: ‘Jozefs broers hebben dit en dat aan kwaad berekend’. Dus ze staan in de schuld. Ze staan in de min. Er is een tekort. En tja, als er een tekort is, dan moet dat aangevuld worden. Dat is nu eenmaal zo. In de financiële zaken is dat zo. En zo is het ook in de boekhouding van wat er tussen mensen gebeurt: als je in het krijt staat bij een ander, dan heb je dat goed te maken. Als je schuld hebt bij een ander, dan moet daar wat tegenover staan.
Maar deze God! Die gaat de boeken nog eens door. Hij gaat er in zitten knoeien, op eigen houtje, zonder toestemming van welke accountant dan ook. Wat mensen hebben berekend, dat gaat hij zitten ómrekenen. Al die tekorten, die gaat hij door zitten krassen. Dat vergrijp, daar gaat een streep door. Die schuld, daar gaat een kruis door. Hij rekent het om. Creatief boekhouden, noemen ze dat!

Dat kán dus niet. Een totale onmogelijke mogelijkheid. Dat is een ongelofelijk wonder: dat de Bevrijder-God van Israël toekomst schept dwars door alle kwaad en schuld van mensen heen.
Misschien blijven wij nu wel met allerlei vragen zitten. Dat hoop ik eigenlijk. Laten we er dan maar van zingen.

 

Plaats een reactie