ds. Niek Scholten: “Oud en toch Nieuw” n.a.v. Psalm 146 en Lucas 2: 36-38

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 4 januari 2017  *

Voorganger: ds. Niek Scholten, Amsterdam

“Oud en toch Nieuw” n.a.v. Psalm 146 en Lucas 2: 36-38

Wat heeft zo’n oude vrouw als Hanna in de tempel, daar nou nog te verwachten? Ze is tenminste 84 en misschien zelfs al wel over de 100.

Maar tóch: ze verwacht iets. En op het moment dat ze het kind van Jozef en Maria ziét, prijst ze God en spreekt over het kind in termen van ‘bevrijding’!

Het lijkt wel of er een vonk ontspringt als Hanna geraakt wordt door dat jonge kind.

Haar hele leven – het lijkt een eeuwigheid – verwacht ze iets van ‘God’, van: ‘de Eeuwige’. Dag en nacht. Vasthouden en bidden.

Wanneer wordt dat nu eens werkelijkheid? Gebeurt ‘dat eeuwige’ in onze tijdelijkheid?

Want wéér hadden we een jaar met oorlog, geweld, haat, pijn en verdriet. Geen ‘God’ die ingrijpt. God “die hemel en aarde gemaakt heeft” zeggen wij elke zondag met Psalm 146. Maar daar schijnt het wel bij te zijn gebleven.

Oude woorden. Maar niet voor Hanna, dat oude vrouwtje in de tempel. Voor haar worden ze nieuw.

Zij ziet niet alleen maar een nieuw ‘schepseltje’. Ze ziet – het staat er echt – bevrijding. Een oud, ‘eeuwig’ woord, wordt nieuw in onze tijdelijke werkelijkheid.

Ze ziet wat Psalm 146 ziet: bevrijding van gevangenen. Recht voor verdrukten. Brood voor hongerigen. Blinden krijgen gezicht. Wie gebukt gaat mag rechtop. Rechtvaardigen worden geliefd. Vreemdelingen beschermd. Wezen en weduwen omarmd.

Ze ziet het vóór zich! Al is het voorbij de horizon van haar eigen leven. En ze bejubelt het!

Wij denken: wat heb je daar aan als er hier en nu mensen lijden. Boter bij de vis graag. En snel een beetje.

Maar onderschatten we dan niet de betekenis zulk ‘profetisch zien’? Van ‘hoop’? En van spreken en zingen over wat we verlangen, hopen en verwachten? Namelijk wat dat met een mens doet?

Hanna heeft haar hele leven gehoopt. Dat maakt haar tot wie ze nú ís. Haar hoop komt tot een uitbarsting op dit ene moment dat ze het kind ziet: ineens slaat de vonk over, op het ‘kruit’ van haar hoop in het vat vol verlangen dat ze was – en zie daar de steekvlam van haar jubelen!

Ja, ‘maar ze maakt het zelf toch niet meer mee?’ roepen wij dan. Is haar hoop daarom minder waard? En bovendien: die ‘oude’ hoop van haar reikt wél over de eeuwen heen naar het hier en nu van dit middaguur hier in deze kerk om nu bij ons een nieuw vuurtje te ontsteken.

Het ‘eeuwige’ – dat wat van eeuwigheidswaarde is: vrede, bevrijding, gerechtigheid, liefde – krijgt gezicht in het tijdelijke bestaan. Zoals de eeuwige, hoge God een gezicht kan krijgen in het “tijdelijke” kerstkind hier beneden. In elke mens die we ontmoeten.

Als je hoopt, als je bidt, als je zingt, ontmoet je dat wat eeuwig en wezenlijk is in het hier en nu.

Daarom zingt de Psalm: ‘ik wil de Eeuwige loven zolang ik leef.’ Dat is misschien niet zó lang. Maar het is wél de ruimte die ieder mens kan maken in zichzelf en om zichzelf heen voor alles wat ‘eeuwig van waarde’ is.

In ieder mens ontmoeten zo het eeuwige en het tijdelijke elkaar. In wat je hoopt. In wat je bezingt. En in wat je eraan probeert te doen, tegen de klippen op.

Wij zongen aan het begin dat lied van Dietrich Bonhoeffer: gevangene van de nazi’s omdat hij zich tegen Hitler verzette. Omdat hij tegenover het doemscenario van het Derde Rijk de hoop op Gods Koninkrijk zette – ook al zou dat voorbij zijn eigen ‘tijdelijke’ leven zijn en buiten de muren van zijn cel.

Maar die ‘eeuwige’ goede machten ontmoetten hem in dat duister: in geloof, hoop en bidden – en ontvonkten daar een groot licht.

Moge dat licht ons in het nieuwe jaar vergezellen.

Amen.

Plaats een reactie