ds. Ruben van Zwieten: ‘Broederschap’, n.a.v. Handelingen 9: 1-17

*  Alle-Dag-Kerk, 8 oktober 2014  *

Voorganger: Ds. Ruben van Zwieten

Broederschap, n.a.v. Handelingen 9: 1-17

Lieve mensen,
Laat ik beginnen u een lijst voor te dragen die u snel zult herkennen:
• James Foley, Amerikaan en journalist, 18 augustus,
• Steven Sotloff, Amerikaan, ook journalist, 1 september,
• David Haines, Brit, beveiliger, 13 september,
• Hervé Gourdel, Fransman, reisgids, 24 september,
• Alan Henning, Brit, hulpverlener, 4 oktober.
U herkent deze namen. die ik zojuist van mijn mobieltje voorlas als de namen die wij vandaag in de actualiteit vernemen in het nieuws. En je vraagt je af: “Wat zullen de nieuwe tijden zijn, als dit op ons netvlies komt?” We hebben gezien hoe Nederland heeft besloten een missie te sturen naar dat gedeelte van de wereld om te strijden tegen IS, Islamitische Staat. En de goedkeuring van die missie gaat veelal gepaard met teksten als “Platbombarderen! Bombarderen die boel!” En de vraag is: “Kunnen wij zo spreken over mensen?” Wat mij vooral verdriet doet, is de vraag: “Hoe is het eigenlijk zover gekomen, dat IS tegenover de VS is komen te staan?
Of dat IS tegenover het Westen, tegenover WS is komen te staan?”

Lieve mensen, de broederschap is dezer dagen en misschien wel in de nieuwe tijden voorlopig ver te zoeken. En daarom dacht ik: “Laten we ons oor te luisteren leggen, hier op woensdagmiddag, bij een oude bron, die oude Schriften, die ons in de traditio zijn doorgeleverd. En ik kwam daarbij uit op een tekst van de evangelieschrijver Lucas. Lucas, misschien weet u dat, heeft ook Handelingen geschreven, niet als een historicus, maar veel meer om dat pijnlijke punt van twee mensen die tegenover elkaar kunnen komen te staan of om twee groepen, die tegenover elkaar kunnen komen te staan, uit te beelden, te bereflecteren. Een verhaal te schrijven dat dat immense probleem, dat in onze natuur ligt, uit te schrijven in een vertelling. En die vertelling gaat als volgt. Saulus nu, dreiging en moord blazend tegen de leerlingen van de Heer, ging naar de hogepriester en begeerde van hem brieven aan Damascus voor de synagogen daar, opdat, als hij, Saulus, enige mens vond die ‘van die weg’ was, mannen zowel als vrouwen, hen gebonden naar Jeruzalem zou voeren. En terwijl Saulus ging, geschiedde het dat hij, Damascus naderende, op zijn weg plotseling omstraald werd door een licht uit de hemel, zegt de schrijver. Ter aarde gevallen hoort hij een stem tot hem zeggen: “Saul, Saul, wat vervolg je mij?” Hij nu zei: “Wie ben je, heer?” Hij nu: “Ik ben Jezus, die jij aan het vervolgen bent. Maar sta op en ga de stad binnen en jou zal gezegd worden wat je moet doen. En de mannen die hem begeleidden, stonden sprakeloos. Zij hoorden wel een stem, maar zagen helemaal niemand. En Saulus nu kwam overeind van de aarde en hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets. En terwijl ze hem bij de hand leidden, brachten ze hem Damascus binnen en Saulus zag drie dagen niet, en hij at niet en dronk niet. Er was nu een leerling in Damascus, Ananias genaamd, en de Heer zei tot hem in een gezicht: “Ananias.” Hij nu zei: “Zie, hier ben ik, Heer.” En de Heer nu tot hem: “Sta op, Ananias, en ga naar de straat, die de Rechte, die de Rechtvaardigheid genoemd wordt en zoek in het huis van Judas Saulus uit Tarsus, want zie: hij bidt. En Saulus heeft in een gezicht een man, genaamd Ananias, zien binnenkomen, die hem de handen oplegt, opdat hij weer kon zien.” Ananias antwoordde: “Heer, ik heb van velen over deze man gehoord en hoeveel kwaad hij uw heiligen heeft aangedaan; hij heeft hier de volmacht om allen die uw naam aanroepen, gevangen te nemen.” De Heer zei tot hem: “Ja, maar hij is mijn werktuig om mijn naam te dragen voor de volken, koningen en kinderen van Israël. Want ik zal hem laten zien hoeveel hij om mijn naam misschien wel lijden moet.” Ananias ging heen, kwam het huis binnen en legde hem de handen op en zei: “Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus die jou verscheen op de weg waarover je kwam, opdat jij zou zien en met de Heilige Geest vervuld zou worden.” En terstond vielen Saulus als het ware hem de schubben en de schellen van de ogen en hij zag en hij stond op en werd gedoopt. En toen hij voedsel nam, werd hij versterkt.

Ja, lieve mensen, Saulus, in de geschiedenis kennen we hem vooral als de figuur die Paulus wordt. Waarvan je zou kunnen zeggen: iemand die Paul heet, is een begenadigd iemand, iemand van gein. Iemand die liefde heeft in de andere mens. Hoe Paulus eerder Saulus was, maar dit is de eerste tekst in de bijbel, waarin het gaat over deze Paulus-figuur. Die dus, heel fascinerend, helemaal niet vanaf zijn geboorte af aan, zegt de schrijver, een soort heilig boontje is, iemand die de hele dag als een lieve man, die broederschap her en der predikt, rondloopt, maar het is iemand, nou ja, het is – ik zal het maar even zeggen – het is een extremist. Saulus is een extremist! Saulus leeft vandaag, zegt de schrijver. Want, wat doet die Saulus? Ja, die Saulus dreigt en blaast moord. In één vers schetst Lucas onze tijden, in een enkel vers. Saulus nu, dreiging en moord blazende tegen iedereen die hij ook maar vindt die niet van ‘zijn weg’ is. Ja, waar zijn zij dan wèl van? Zij zijn niet Christen of zij zijn niet Jezidi. Nee, zo staat er, de mensen die hij een kopje kleiner wil maken (misschien wel heel letterlijk), zijn mensen die leerlingen van de Heer zijn. En als je leerling bent, dan is dat een buitengewoon actieve benaming. Wij zitten hier als leerlingen. Ik zal ’t maar zeggen. Het klinkt misschien een beetje raar uit de mond van een dominee; maar wij zitten hier niet als gelovigen. Wij hebben niet constant ons geloof bij ons. Wij mensen maken fouten. Wij zijn geneigd, ik zal ’t maar vast zeggen: er zit ook soms een kleine Saulus in ons, in ons allemaal. En die Saulus, zegt de schrijver, gaat niet voor niets het huis binnen van Judas, want er zit in ons – heel vervelend, zelfs in deze man in deze toga – zit ook een Judas. Maar de vraag is: ‘Hoe blijven wij leerling van het verhaal van de zachte krachten? Hoe blijven wij leerling van het verhaal van broederschap?’ De schrijver neemt ons verder mee, want deze figuur, ja, die pakt zowel mannen als vrouwen. Hij pakt ze wel – u heeft ze misschien gezien – die beelden in Irak, terwijl de hele stoet gaat, is Saulus iemand die valt van achteren aan. Daar waar de ouderen lopen, daar waar de vrouwen lopen, daar waar de kinderen lopen, daar waar de zwakkeren lopen. Daar wil Saulus hen gebonden naar Jeruzalem voeren. Een soort hervertelling van hoe Jezus bij de hogepriester wordt gebracht. Een extremistisch standpunt, want iedereen die leerling is van de Heer, hoe actief dat ook is, iemand die ‘van die weg’ is, er staat helemaal niet wat die weg precies is en hoe die weg gaat. In bijbelse zin ben je iemand van die weg, als je de weg aflegt vanuit Egypte, uit het slavensysteem door de woestijn, op weg naar het beloofde land. En daarvan zegt Martin Luther King: in dat beloofde land, in dat ‘promised land’: “They will sit together at the table of brotherhood.” They will sit together aan de tafel van broederschap. Dat zijn mensen die van ‘de weg’ zijn, die dromen tegen alle beelden van nare You-tube-filmpjes van onthoofdingen in, van dat beeld. Onmogelijk. Als ik in die tijd in Amerika zou hebben geleefd en ik zou daar bij hebben gestaan, en ik zou die morgen nog zijn opgestaan voor iemand in de bus, als een zwarte man. En ik had Luther King later die dag horen zeggen: “I have a dream. We will sit together with our enemy. We zullen samen met onze vijand aan de tafel zitten.” Dan had ik ook gedacht: “You’re right.” Dàt is de functie van het bijbelverhaal, iets onmogelijks wordt ons als leerlingen ‘van die weg’ van Egypte naar het beloofde land aangezegd. Want de droom is misschien wel, wil Lucas ons zeggen, dat wij aan die tafel zitten, terwijl er moord en dreiging blazend is, uiteindelijk aan die tafel komen te zitten, die Jezidi en die IS-strijder tegelijk.

Laten we ons verhaal vervolgen, want eerst gaat die Saulus zijn weg, als een IS-strijder, moord en dreiging blazend, en dan ineens klinkt er een stem en staat er “Saul, Saul, wat vervolg je mij?” Het Oude Testament kunnen we verwaarlozen, maar het Nieuwe Testament is een hervertelling van het Oude Testament. En die zin is een letterlijk citaat uit het verhaal van Saul. Wie is Saul in de bijbel? Dat is de man die Davidje achtervolgt als een extremist. Davidje, die ene koning die met de vijf stenen als de vijf boeken van Mozes, met het verhaal van broederschap, de grote Goliath neerhaalt. Krijgt niet de gunning van Saul. En Saul verdwijnt in een soort extremistische gedachte, dat kleine koninkje van Godswege, die moet dood. Moord en dreiging blazend, wil hij Davidje omleggen. Misschien kent u dat fantastische verhaal. Zij zitten dan achter elkaar aan, een soort kat-en-muisspel. En dan middenin de nacht, als Saul met honderdduizenden, zo staat er (dat is meer een getal om te laten zien: Saul was met een echt heel groot leger). En dan is Davidje maar met één knecht. En in een spelonk, waar deze achtervolger, deze extremist Saul ligt te slapen, komt Davidje binnen.  En terwijl Saul slaapt, snijdt hij met het zwaard van Saul een slip van de jas van Saul af. En de volgende morgen, als Saul wakker wordt, terwijl die knecht tegen David zegt: “Hoezo heb je hem niet met z’n eigen zwaard vermoord?”, zegt Davidje: “Nee, nee, nee, dat is niet het verhaal waarmee ik leef.” Saul wordt wakker, gaat uit die spelonk, komt Davidje tegen. En Davidje, op een afstand, met die slip van die jas en die zegt: “Joehoe, joehoe. Ik kon je doden, maar heb het niet gedaan.” En dan klinkt de zin: “Saul, Saul, wat vervolg je mij?” En Lucas vertelt dat verhaal nog maar een keer. En vandaag vertel ik dat verhaal vanaf deze kansel nog maar een keer en dat verhaal moet volgende week nog een keer verteld worden. Want het gaat tegen onze natuur in, om te denken, precies wat die Ananias denkt: “Ja, maar, Heer, ik heb veel over deze man gehoord, het is een schurk. Wat, wat wil je met die man?” Maar met deze Saulus gebeurt iets, met deze Saulus, midden op zijn weg, krijgt hij, zoals je kunt kijken naar een kunstwerk, een soort openbaring. Een licht vanuit de andere kant. En dat omstraalt hem en hij gaat op z’n knieën en hij ziet niets meer, drie dagen, drie nachten. Als hij die Jezus is, die drie dagen gekruisigd en gestorven was. Want drie dagen gebeurt er
helemaal niets. Hij eet niet en hij drinkt niet. En wat gebeurt er uiteindelijk met mensen, zoals ook wij wel de mensen ‘van de weg’ en van de opstanding worden genoemd? Saulus staat uiteindelijk weer op, als een nieuw mens, als een herboren mens. Ja zelfs Paulus is Saulus. Zelfs in Paulus zit een Saulus en zelfs hij gaat het huis van een Judas binnen. En die Ananias, die zogenaamde christen, die wil helemaal niet luisteren naar de Heer, zegt Lucas. “Ja, maar Heer, u wilt nu dat ik hem de handen ga opleggen en dat hij mijn broeder wordt. Ben je helemaal gek geworden? Heb je niet die filmpjes gezien? Ik ga toch plop, platbombarderen, dat gaan we doen met Saulus.” De Heer zegt: “Nee, ook hij is mij een uitverkoren werktuig, alle mensen behoren tot zijn volk.” En dan, ontroerend, stelt u zich eens voor dat vandaag de dag wij zouden zeggen – ik bedoel het kan niet, ik pleit helemaal niet voor pacifisme of wat dan ook, maar het is een soort utopie, die we moeten vasthouden, een droom, een visioen, hoopvol idee – dat iemand, Ananias (die zelf ook bekeerd moet worden), zegt: “Saul, broeder. Saul, broeder.” De ultieme vijand wordt aangesproken met “Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Hij die jou verscheen op de weg waarover je kwam, opdat jij weer zou zien, de schellen van je ogen zouden vallen. Want je had je ogen wel open, maar het was donker en je zag niets.”. Er terstond vallen hem de schubben van de ogen, zo staat er. Hij zag, hij stond op als een opstandingsmens, hij ging door het water van de Rietzee heen en hij nam voedsel, zoals wij hier tussen de middag deze preek nemen als voedsel in de lunch-break.

Amen

Plaats een reactie