ds. Ruurd van der Weg: “Reisgenoten”, n.a.v. Lucas 24: 13-49

*  Alle-Dag-Kerk, 15 april 2015  *

Voorganger: ds. Ruurd van der Weg, Uithoorn

“REISGENOTEN” n.a.v. Lucas 24: 13-49

(De opgestane Heer verschijnt aan twee leerlingen die onderweg zijn naar Emmaüs, loopt een eindje met hen op en breekt het brood met hen.)
Lucas heeft iets met reizen. Zou dat komen omdat hij als arts zijn vriend Paulus op diens zendingsreizen heeft vergezeld? Hoe dan ook, in zijn tweedelig boek, zijn Evangelie en de Handelingen der apostelen, spelen reisverhalen, het onderweg zijn, een belangrijke rol.

Ook de geschiedenis van die twee mannen die vanuit Jeruzalem naar het dorpje Emmaüs gaan, is een reisverhaal, een verhaal onderweg.

Wat is de bedoeling van Lucas om steeds de vorm van het reisverhaal te gebruiken? Ik denk dat dat te maken heeft met de situatie waarin de christelijke gemeentes de eerste tientallen jaren na Christus verkeren. In het begin leven ze onder hoogspanning: ze verwachten de komst van het Koninkrijk Gods op hele korte termijn: “Nog in onze dagen kòmt Hij!”. Maar wanneer het langer en langer gaat duren, en er in feite niets verandert, maar integendeel, de toestand alleen maar verslechtert, en ze meer en meer te lijden krijgen van vervolgingen – dan dringt langzaam het besef door dat ze zich moeten instellen op de lange duur, op de lange adem, op een weg door de tijd, een reis door de nacht. De hoogspanning moet als het ware omgezet worden in zwakstroom, de verwachting in volharding. Ze moeten na gaan denken over vormen van gemeente-zijn die het kunnen uithouden in de tijd, vastere patronen, hechtere structuren, een betere organisatie. En in deze situatie verkeren wij na zoveel eeuwen anno 2015 eigenlijk nog steeds…

Je kunt je voorstellen dat ze in eerste instantie door heel wat gevoelens van teleurstelling, verwarring en moedeloosheid héén moeten. “Wij leefden in de hoop, dat Hij het was die Israël verlossen zou”, verzuchten de reizigers naar Emmaüs. “Wij leefden in de hoop, dat Hij het was die spoedig zijn Koninkrijk in volle glorie op aarde zou vestigen”, verzuchten de christenen van de vroege kerk. Ze spreken in de verleden tijd… “Wij leefden in de hoop, dat…”, verzuchten telkens opnieuw gelovigen van alle plaatsen en tijden. Deze zucht is de weerklank van het zuchten van de hele schepping die in barensnood is. Het is de zucht van de aanvechting, aanvechting die juist òpgeroepen wordt dóór die belofte van een nieuwe schepping, dóór de opwekking van de Gekruisigde. Hoe kun je in ’s hemelsnaam de vreugde van Pasen bewaren, wanneer je voortdurend een kloof ervaart tussen wat beloofd is en de keiharde werkelijkheid? Dat is toch godsonmogelijk?

De lange duur, die slijtageslag, de pijn van het menselijk bestaan, en wat het nog zwaarder maakt: de verborgenheid van God, de onherkenbaarheid van de Opgestane. Onze ogen zijn bevangen. En dan toch blijven geloven, hopen, liefhebben. Omdat je niet anders kùnt, omdat je het niet kunt láten, desnoods tegen de klippen op. En dat is heel wat anders dan met oogkleppen op…
Kan dat? En hoe dan?

Daar lopen de Emmaüsgangers. In hen mogen wij àlle navolgers van Jezus, die hele wereldwijde gemeente, en dus ook onszelf, herkennen. Ze lopen met lood in de schoenen. Ze laten Jeruzalem achter zich. Dat betekent: ze hebben alle hoop opgegeven. Ze praten met elkaar over hun verwachtingen die illusies bleken te zijn. Maar: ze zijn in ieder geval sámen. Dat verandert niets aan de situatie, maar het wordt daardoor wel wat draaglijker. Omdat je je verwarring en twijfels kunt delen met iemand die een eindje met je meeloopt. Ook dat is gemeente-zijn!

Een derde voegt zich bij hen. Hij hoort hun verhaal aan en noemt hen dan “traag van begrip en onverstandig van hart”. Geen verwijt, maar realiteit. Die harten moeten juist ontbranden door het vuur van Pasen. De Schriften gaan open. Bij Mozes, d.w.z. de Thora, en bij de Profeten begint hij. Jezus tast zich een weg af aan de hand van de Schriften. Hij gelooft dat Hij niet bedrogen zal uitkomen en zijn vertrouwen is niet beschaamd. Als de gekruisigde en opgestane Heer is Hij nu a.h.w. het brandglas dat het licht van de Schriften opvangt en samenbundelt in één geconcentreerd punt. Zo wordt Hij reisgenoot, niet alleen op de weg van Jeruzalem naar Emmaüs, maar ook op de weg door het landschap van de Schrift!

Als Hij door de twee mannen wordt genodigd voor de maaltijd, ontpopt de gast zich als Gastheer. Hij neemt het brood, spreekt de zegen uit, breekt het en reikt het hun toe. En hun ogen worden geopend en zij herkennen Hem. Hun harten brandden al toen Hij hun de Schrift uitlegde, maar pas door die hàndeling, door dat gebaar, het breken van het brood, door wat Hij dóet, herkennen ze Hem. En ze kunnen het werkwoord “hopen” weer vervoegen in de tegenwoordige tijd…

De vraag is: hoe hou je het vol, die lange duur? Waar bespeur je de nabijheid van de opgestane Heer in donkere tijden? Het antwoord van Lucas aan de gemeentes is: in het openen van de Schriften en in het breken van het brood. Woord en Sacrament, Schrift en Tafel, taal en teken: teerkost voor onderweg, proviand voor de reis, manna in de woestijn.

Is dat nou alles? Wellicht is het ons te weinig, te mager. Maar het moet ons genoeg zijn. Met de Schriften als kompas en met brood en wijn als rantsoen, kunnen wij steeds weer opnieuw leren hopen. Opvallend detail hierbij is: de Opgestane dringt zich niet op. Hij forceert de deur niet. Hij verdwijnt meteen weer uit hun midden, uit òns midden. Want Hij wil ons niet overweldigen met zijn boodschap, met zijn aanwezigheid, want dan zou Hij onze menselijke verantwoordelijkheid en keuzemogelijkheid uitschakelen. Hij geeft ons ruimte voor een vrije aanvaarding – of niet – van zijn evangelie. Ook na Pasen kan Hij zich alleen geven als een zaad dat in het verborgene ontkiemt.

Hij laat de Emmaüsgangers op eigen benen Jeruzalemgangers worden! Als ònze ogen open zijn, kan Híj zich weer terugtrekken. Maar er is voorgoed iets veranderd. Zij staan op en keren om. Pasen werkt door in mensen die opstaan, mèt hun verwarring en twijfels, die op weg gaan naar Jeruzalem, naar het nieuwe Jeruzalem, visioen van vrede en recht. Mensen die onderweg doen wat hun hand vindt om te doen, die delen – een woord, een gebaar, een teken van hoop…

In Handelingen worden de eerste christenen “mensen van die weg” genoemd. Langs deze weg, tocht van eeuwen, ligt zo nu en dan een oase, een pleisterplaats, zoals hier en nu, op deze woensdagmiddag, om òp te ademen en bemoedigd te worden. Nicolaas Beets dicht over zo’n ervaring, een ervaring die ik ons allen toewens: zien – soms – even.

‘De moerbeitoppen ruisten’;
God ging voorbij;
neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
en sprak tot mij;
sprak tot mij in de stille,
de stillen nacht;
gedachten die mij kwelden,
vervolgden en ontstelden,
verdreef hij zacht.
Hij liet zijn vrede dalen
op ziel en zin;
‘k voelde zijn vaderarmen
mij koestren en beschermen,
en sluimerde in.

De morgen die mij wekte
begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
en Gij, mijn Schild en Wapen,
waart nog nabij.

Ruurd van der Weg,
predikant-geestelijk verzorger bij de krijgsmacht: ruurdvanderweg@gmail.com
Muziektip:
J.S. Bach – “Bleib bei uns, denn es will Abend werden” – BWV6
Cantate voor Tweede Paasdag

Plaats een reactie