dr. Stephan de Jong: ‘In de schaduw van de Allerhoogste’ n.a.v. Marcus 1: 12-13r

*  Alle-Dag-Kerk, Middagpauzedienst 8 maart 2017  *

Voorganger: dr. Stephan de Jong, Bussum

‘In de schaduw van de Allerhoogste’
n.a.v. Marcus 1: 12-13

Om maar met een onprettige boodschap in huis te vallen: wij zijn van ons voetstuk gevallen. Al een flinke tijd geleden trouwens. In de Middeleeuwen golden wij mensen nog als het centrum van het universum en als de kroon op Gods schepping. Toen kwamen Copernicus, Keppler en Galilei langs en maakten ons duidelijk dat we ons op een willekeurige planeet bevinden, deel uitmakend van één van de vele zonnestelsels, binnen één van de talloze sterrenstelsels en ook nog in een uithoek van het universum. Een tijd later kwam Darwin eraan en maakte een einde aan het idee dat we als mens uniek zijn. We stammen uit een miljoenen jaren durende evolutie en zijn verwant aan de dieren. Weer wat later deed Freud er een schepje bovenop en kwam ons vertellen dat wij niet door de rede worden geregeerd, maar door allerlei onbewuste drijfveren. De vermaarde theoloog Hendrik Berkhof verwerkte deze gegevens in zijn dogmatiek, sprekend over het kwaad in de mens: onbewuste drijfveren, agressie, territoriumdrang en angsten als erfenissen uit onze evolutionaire ontwikkeling zitten diep in ons.

Wij zijn van onze troon gevallen. We vormen niet meer het centrum van de kosmos als kroon van de schepping. We gelden nu als verdwaalde zwervers in een onverschillige kosmos, met het beest in ons. Het beest in ons… Nu ja, zo nieuw is dat ook weer niet. Oude, nuchtere spreekwoorden en uitdrukkingen uit de volkswijsheid geven er al uitdrukking aan: de mens is de mens een wolf, sluw als een vos, dom als een ezel. En niet alleen in de volkswijsheid leeft dit besef, ook in de christelijke traditie. Ga maar eens naar een romaanse of gotische kerk. Je loopt een goede kans er allerlei dierenbeelden tegen te komen die symbolisch verwijzen naar menselijke eigenschappen: de hond staat voor nijd, de bok voor wellust, de beer voor woede, de slang voor valsheid, het lam voor geduld en de leeuw voor moed.

Ons gezin ging vroeger, toen ik kind was, elke koninginnedag naar de dierentuin in Rotterdam, naar Blijdorp. Het was er ook ‘blij’: een genot er rond te lopen. Mede dankzij het feit dat de wilde dieren veilig in hun kooi zaten opgesloten. Maar ouder wordend ging ik beseffen dat er ook in mijzelf een dierentuin zit. Niet altijd een ‘Blijdorp’, want de innerlijke beesten zitten niet keurig in kooien. De onberekenbare wolf, de sluwe vos, de bange haas en de domme ezel lopen er door elkaar en sissen en vechten. Daardoor begrijp ik mijzelf niet altijd. Daardoor doe ik dingen die ik niet wil en wil ik dingen die ik niet doe. In ons dolen de wilde beesten rond. Het is niet voor niets een oud menselijk verlangen, dat de wilde beesten in ons tot rust komen. Dat lezen we al bij Jesaja, in zijn visioen dat de wolf die zich neerlegt bij het lam, de panter bij het bokje en dat de adder speelt met de zuigeling. (Jesaja 11) Het zijn toekomstbeelden van vrede, ook van innerlijke vrede, waarbij de wilde dieren in ons tot rust komen.

Hoe komen de wilde dieren in ons tot rust? In het Marcus-evangelie staat een merkwaardig kort verhaal. Het vertelt dat Jezus veertig dagen in woestijn verbleef en er ‘leefde te midden van de wilde dieren’. (Marcus 1: 12-13) Jezus leefde er te midden van de wilde dieren… Ik stel me dat niet zo voor dat Jezus er tussen leeuwen, adders of schorpioenen lag te slapen. Ik stel me dat meer innerlijk voor. Jezus leefde er met de beesten in zichzelf. Hij leefde er met zijn innerlijke donkere kanten, zijn schaduwkanten, met de verzoekingen, twijfels, aanvechtingen, zoals het in de andere evangeliën staat. Jezus leefde er te midden van de wilde dieren… Er staat dus niet dat Jezus vocht met de wilde dieren, dat Hij ze verdrong of dat Hij God smeekte die wilde dieren te doden. Er staat simpelweg dat Hij met die wilde dieren leefde. In Hem heerste kennelijk al de vrede waarvan Jesaja droomde: de wolf die zich neerlegt bij het lam, de panter bij het bokje en de adder die speelt met de zuigeling.

Wat was het geheim van Jezus? Iemand heeft eens opgemerkt: als geen ander heeft Jezus de moed gehad de innerlijke dieren of innerlijke schaduwzijden in zichzelf onder ogen te zien. Wat gaf Hem die moed? Ik denk niet alleen het weten van zijn eigen schaduwzijden, maar ook het weten van een andere schaduw. Dat moet ik even uitleggen met een kort verhaaltje. Er was eens een man die een hekel had aan zijn schaduw. Hij liep ervoor weg. Maar zijn schaduw achtervolgde hem. Hij ging harder lopen. Zijn schaduw ook. Nog harder rende hij. Zijn schaduw hield hem gemakkelijk bij, hoe hard hij ook liep. Uiteindelijk viel hij door uitputting dood neer. De man had zijn schaduw gemakkelijker kwijt kunnen raken: was hij maar gaan zitten in de schaduw van een boom. In die schaduw zou zijn schaduw zijn opgelost. En dat is precies wat Jezus deed: Hij wist van een andere schaduw, Hij vertelde er keer op keer over, namelijk de schaduw van de Allerhoogste, van Gods vergeving en aanvaarding. Dat is wat het christelijk geloof ook wil vertellen: ga zitten in de schaduw van de boom die God heet. Ga zitten in de schaduw van de Allerhoogste. Daar lossen je schaduwkanten op. Zoek je toevlucht in de schaduw van zijn vergeving. Om het anders te zeggen, in de schaduw van het kruis, het symbool bij uitstek van vergeving en vernieuwing. In die schaduw zullen onze schaduwkanten oplossen. Dan kan het gebeuren dat in onszelf de wolf zich neerlegt bij het lam, de panter bij het bokje en dat de adder begint te spelen met het kind in ons.

Amen

Plaats een reactie